Auteursarchief: elbrichf

Schuifelende planten

Het ligt voor de hand om te denken dat planten niet kunnen bewegen. Ze zijn nogal stationair, zeker vanuit het perspectief van een mens die zich, dank zijn zijn benen, heel makkelijk kan verplaatsen.
Toch bewegen planten wel degelijk, alleen zo langzaam dat je het heel snel over het hoofd kunt zien. Stefano Mancuso schrijft hierover in zijn boek ‘Briljant groen’, en als hij me er niet op had gewezen, was het me waarschijnlijk niet zo snel opgevallen dat mijn knolkapucijn wandelt. En niet lukraak. Heel doelbewust schuift hij op naar een gunstiger plekje.
Een knolkapucien is familie van de Oost Indische kers, en dat is hem aan te zien. Maar dan een blijvertje, die zich ’s winters terugtrekt in zijn (eetbare) knol. Als je die niet oogst, loopt hij het jaar erop weer uit. Hij heeft een decoratieve, paarsrode steel en kan, op een goede plek, makkelijk twee meter omhoog klimmen.
Omdat ik wilde dat mijn knolkapucien langs de schutting omhoog zou klimmen, had ik hem pal naast de schutting in de grond gestopt. Hij liep keurig uit, bereikte weliswaar de twee meter niet en weigerde ook te bloeien en verdween weer.
Dit jaar kwam de knopkapucijn opnieuw op. Tot mijn verrassing eerlijk gezegd, want ik had niet de indruk dat hij heel gelukkig was in mijn tuin met zandgrond, en dan ook nog de halve dag in de schaduw van de schutting… Alleen kwam hij niet precies terug op de plek waar ik hem had geplant, maar zeker tien centimeter tuininwaarts. Wat ik eigenlijk maar op een manier kan interpreteren: hij is op zoek naar een zonniger oord.
Dat weet ik natuurlijk niet zeker, want als ik iets heb geleerd van Mancuso, dat is het wel dat het voor mensen heel moeilijk is om zich in planten te verplaatsen, omdat ze ons zo wezensvreemd zijn. Toch heb ik het idee dat ik wel iets snap van deze schuifelende knol: hij wil naar het licht. Ik laat hem zijn gang gaan, en ben heel benieuwd of en waar hij volgende seizoenen boven zal komen.

Taoistisch tuinieren, en hoe bevrijdend dat is.

Ik denk dat veel (moes)tuiniers dit beeld wel herkennen: in het voorjaar neem je je vast voor om je tuin systematisch bij te houden en nu eens een keer niet binnen de kortste keren achter de feiten aan te hollen.

Vaak heb ik – meestal ergens in de loop van de zomer, maar soms al eerder – geconcludeerd dat de tuin een dictator is. Hij bepaalt dat je nergens heen kunt omdat er nog geschoffeld moet worden, de tomaten nodig van dieven moeten worden ontdaan, de druif (alweer) gesnoeid moet worden, de kapucijners geplukt moeten, of anders wel de bessen, en dat er nodig netten over de aardbeien moeten, dat er iets gestekt moet, of gehalveerd.
Maar natuurlijk is de tuin geen dictator. De tuin is gewoon haar overvloedige zelf die gewoon haar eigen plan trekt. Ik heb een tijd lang gedacht: als ik nu mijn tuin maar goed genoeg ken, en mijn plannen en ambities daarop afstem, dan lukt het misschien beter om mijn koers te houden. Het idee om mijn tuin beter te leren kennen was prima. Maar het doel – mijn ambities beter kunnen realiseren – bleef me in de weg zitten.
Dit was, achteraf gezien, denk ik een noodzakelijke tussenfase naar een veel werkbaarder inzicht: het hele idee van de baas te willen zijn in de tuin maar los te laten. Tuinieren is nu geen machtsstrijd meer, maar meer een dans. Ik probeer iets, en kijk wat er gebeurt. Of ik doe niets, en kijk wat er gebeurt. Het is spannend, het is verrassend. Het fijne van geen vooropgezet plan: er kan ook niet zo veel mislukken.

Ik heb deze manier van tuinieren ‘De taoistische tuinier’ genoemd, naar het taoistische principe van wu wei, oftewel ‘doen door niet te doen’. Niet handelen is een onderschatte kunst. Effectief niet handelen is al helemaal lastig. Het vergt deskundigheid, aandacht en tijd. Het betekent ook niet ‘niets doen’. Gelukkig kun je het de hele tijd oefenen. Het allergrootste wonder is dat deze grondhouding je altijd rijkelijk beloont, met een veelvoud van wat je zelf ooit – in wat voor uitgekiend plan dan ook – had kunnen bedenken.

Tot mijn verrassing lees ik in ‘Groene Genade’, een boek met verhalen van tuinman Jan Graafland, dat hij een vergelijkbare ontwikkeling heeft doorgemaakt: van wil opleggen aan de tuin naar loslaten. Hij heeft, net als ik, het ‘handelen door niet te handelen’ omarmd. Maar Jan voegt er nog een dimensie aan toe: ‘Laat los, en je zult losgelaten worden’. Lucas 6:37. Het is de spijker op zijn kop: hoe vrijer ik mijn tuin laat, hoe vrijer ik zelf ben. Niet omdat ik op deze manier ontsnapt ben aan het juk dat de tuin mij oplegde, maar omdat ik bevrijd ben van het juk dat ik mezelf had opgelegd. 

Groene genade, Verhalen van tuinman Jan Graafland, 
Over de plantenwereld, de honingbij, wildtuinieren, de compostbult als oerbuik, het duizendbladorakel en het uiteindelijke gelijk van de zeis…
Uitgeverij Christofoor, Zeist, 2020   

De prepper

Er ontbreekt, behalve De Gezonde Tuinier, nog een typologie in Het Grote Moestuinierboek: de Prepper. 
Toen ik het boek aan het schrijven was, vertoefden we nog in zalige, onschuldige precorona-tijden. Maar Het Grote Moestuinierboek kwam uit op 21 maart, oftewel week 1 van het Corona-tijdperk. Het werd op dat moment door sommigen onthaald alsof het een welkom handboek voor survival was.

Dat klopt misschien wel, maar dan vooral als inspiratie voor wat niemand had zien aankomen: de combinatie ‘kinderen thuis’ + ‘tijd om handen’ + ‘het is lente’. Ja, we gaan tuinkers zaaien, en aardbeien planten, en tomaten kweken, en pompoenen voorzaaien! Voor alle ouders die geen clou hebben hoe dat (ook alweer) gaat, is Het Grote Moestuinierboek inderdaad een uitkomst. Want er staat een heel praktisch hoofdstuk in voor ‘De educatieve tuinier,’ voor tips voor do’s en don’ts als je gaat moestuinieren met de kinderen.

Maar natuurlijk zet de Corona-crisis ook aan tot nadenken over wat echt belangrijk is. En in crisistijd is je eigen eten kunnen verbouwen best een voor de hand liggend verlangen. Of misschien zelfs prioriteit….
Goed, desgevraagd – ‘wat kan een prepper het beste telen?’ had ik geen antwoord klaar, omdat ik nog nooit serieus over de vraag had nagedacht.
Inmiddels heb ik wel over die vraag nagedacht en het antwoord hangt enerzijds af van waar je van houdt (qua groenten) en anderzijds met wat voor doemscenario je rekening houdt.

Je zou bijvoorbeeld kunnen gaan voor bewaargroenten: pompoenen, bonen, mais. Zodat je hele kelder – en je hele zolder – vol ligt, mocht de aanvoer van voedsel volledig komen stil te liggen. Je kunt ook telen voor de vriezer, maar dat veronderstelt dat de stroom niet uit komt te vallen. 
Je kunt ook juist kiezen voor de kort houdbare gewassen. Mochten aanvoerketens ontregeld raken, dan zijn zullen appels en aardappels een vertraging wel overleven, maar de verswaren zijn het eerste slachtoffer. Hoe heerlijk als er dan in je eigen achtertuin sla, rucola, frambozen en aardbeien groeien.

Wat je ook kiest: je hebt iets nodig om mee te beginnen. Pootgoed. Een plant. Zaad. Dus als je iets wilt hamsteren voor slechte tijden, is zaad een goed idee. Het mooie van zaad is dat het zichzelf vermeerdert. Als je tenminste zaad kiest dat niet genetisch is gemodificeerd. En liever ook geen hybride zaden (F1 staat er dan op het zaadzakje). Vervolgens moet je nog een beetje verstand hebben van zaadwinning. Bonen, rucola, koriander: dat gaat ongeveer vanzelf goed. Maar als je courgette is bestoven door een pompoen, dan heb je geen idee wat er uit de volgende generatie zaad tevoorschijn komt.

 
Dus eigenlijk heb je, als prepper, vooral kennis nodig. Zowel van de teelt van datgene waarmee je je wilt gaan voeden, als hoe je zelfstandig te kunt voorzien in je eigen zaadbehoefte. Voor het geval dat je het zaad niet (meer) in het tuincentrum kunt ophalen, of je online bestelling niet geleverd kan worden.
Die appelboom (perenboom, druif, vijg, walnoot, hazelnoot) kun je misschien vast beter in je tuin hebben staan. Als je, bij het uitbreken van welke pleuris dan ook, pas begint met het zaaien van een appelpitje, moet je een decennium (of wat) geduld hebben voordat je je eerste appel oogst. Fijn van deze vruchtbomen: je hebt er geen omkijken naar. Je hoeft niet jaarlijks te zaaien en het ook geen zaad te winnen. Alleen maar oogsten en opeten, of inmaken, of drogen voor de voorraadkelder.

Afhankelijk van welk doemscenario je koestert, moet je misschien ook vast nadenken wat je te doen staat als – in tijden van ziekte en/of hongersnood – in jouw tuin de courgettes rijk geven en de appelbomen vol fruit hangen. Een muur om je tuin bouwen? ’s Nachts wachtlopen om je gewassen te beschermen tegen jutters/stropers/belagers?
Misschien is het verstandig om, nu de nood nog niet aan de man is, je buren ook vast te inspireren tot het aanleggen van hun eigen eetbare achtertuin. 


 

De gezonde tuinier

Bij de typologieën in Het Grote Moestuinierboek ontbreekt de gezonde tuinier. 

Niet dat tuinieren niet gezond is. Of dat gezondheid geen goede reden is om aan een moestuin te beginnen. Integendeel! Elke stap die je buiten de deur zet, is er een in de plus voor je gezondheid en je welbevinden. Twintig minuten per dag buiten en je bent een ander mens, zowel mentaal als fysiek. Dus als je tuin daar de aanleiding toe is, zoveel te beter.

Er is officieel en serieus onderzoek gedaan haar het effect van de natuur/groen/de tuin op een mens. Dat heeft een aantal interessante nieuwe afkortingen opgeleverd, zoals NDD, en DDN. De eerste betekent Nature Deficit Disorder. Het is een aandoening die zeer wijd heerst. Symptomen zijn overgewicht, nervositeit, lusteloosheid, stress. Het goede is dat het antidotum helder is: een dagelijkse dosis natuur, oftewel DDN. De werkzame dosis is bekend: zodra je 20 minuten tot een half uur per dag buiten bent, in een omgeving met groen en zuurstof, dan kun je het tij al keren: je concentratievermogen neemt toe, je creativiteit groeit, de bloeddruk daalt. Hoe groter je dagelijkse dosis natuur, hoe beter de resultaten. Een overdosis is eigenlijk onmogelijk.

In Zuid Korea en Japan zijn er plekken waar je officieel kunt ‘bosbaden’: je ligt dan in een geurig (dennen)bos te ontspannen en op te laden. Maar scharrelen in je tuin is net zo effectief. In die zin is moestuinieren per definitie gezond, nog los van wat je verbouwt in je moestuin. 
Vandaar dat ik geen speciale typologie heb opgenomen voor mensen die uit gezondheidsoverwegingen tuinieren. Dan zou ik moeten beoordelen of de teelt van de ene groente gezonder is dan een andere. Wat had ik dan moeten afwegen? Hoeveel kilojoule je verbrandt tijdens spitten, schoffelen, oogsten, schoonmaken van aardpeer dan wel asperges? Hoeveel vitamines gewassen bevatten? Hoeveel vreugde je eraan beleeft? Het laat zich om te beginnen niet kwantificeren. Verder is de belangrijkste gezondheidswinst al geboekt zodra je de tuin in gaat. Los van of je nu Oost Indische kers teelt of rode bieten.

Toch verdient het gezondheidsaspect van moestuinieren eigenlijk wat meer waardering. Vooral omdat een DDN geen schadelijke bijwerkingen heeft. Dat mag best eens voor het voetlicht gebracht. Eigenlijk is DDN zo effectief tegen zoveel malaise, dat zorgverzekeraars het moestuinieren zouden moeten aanmoedigen. 

Verliefdheid en tuinkers

Ik zou het in elke bast willen kerven,
Ik zou het in elk kiezelsteentje willen krassen,
Ik zou het in elk vers tuinbed willen zaaien
met tuinkers, dat het snel zal verraden,
Op elke witte snipper zou ik willen schrijven:
Mijn hart behoort jou toe, voor altijd.

Of in het Duitse origineel:
Ich schnitt es gern in alle Rinden ein,
Ich grüb es gern in jeden Kieselstein,
Ich möcht es sä’n auf jedes frische Beet
Mit Kressensamen, der es schnell verrät,
Auf jeden weissen Zettel möcht ich schreiben:
Dein ist mein Herz und soll es ewig bleiben.

Wilhelm Muller dichtte dit, anderhalve eeuw geleden. Franz Schubert heeft deze woorden onsterfelijk gemaakt door de ze op muziek te zetten. In de reeks van twintig gedichten over de jongeling die verliefd is op de molenaarsdochter is dit het eerste couplet van het zevende gedicht en het heet ‘Ungeduld’. De hele reeks heet: Die schöne Mullerin.
Het klinkt zo: https://www.youtube.com/watch?v=6eiGsmdkh9Y (Let op die prachtige pianopartij, die ook een en al ongeduld uitdrukt!)

Voor alle romantici: tuinkers doet er tien dagen à twee weken over om te ontkiemen.
Ook goed om te weten, trouwens, voor iedereen die frisse tuinkers op de paastafel wil: nu zaaien!



Mais telen, en wel hierom.


Door de crisis ga je je opeens andere vragen stellen dan gewoonlijk. Zoals: wat is nu echt belangrijk?
Als moestuinier kwam dat antwoord bij mij vrij snel: zaad. Als ik iets zou willen hamsteren, dan zou het zaad zijn. Maar het mooie van zaad is: dat hoef je helemaal niet te hamsteren. Zolang je er een handjevol van hebt, dan levert dat je in de meeste gevallen aan het eind van het seizoen weer nieuw zaad op. Wat een prachtig, genereus principe!

Meer nog dan zaad heb je kennis nodig: hoe teel ik een plant, en hoe win ik vervolgens zaad voor volgende lichtingen? Kennis die ik, ontdek ik nu min of meer met verbazing, helemaal niet heb. Tuinboeken besteedden tot een eeuw geleden altijd veel aandacht aan het winnen van zaad. Dat is tegenwoordig niet meer nodig. Ook in Het Grote Moestuinierboek ga ik ervanuit dat zaad het begin is, en dat je zaad altijd ‘gewoon’ kunt kopen.
Soms gaat het winnen van zaad ‘vanzelf’ goed. Bij bonen bijvoorbeeld. Of bij koriander. Als je die door laat groeien en bloeien, dan maakt hij vanzelf zaad. Dat kun je meteen in je kruidenla stoppen, maar je kunt er ook een handje vol van bewaren om weer uit te zaaien.

Maiszaad winnen is in principe ook niet zo moeilijk: 1 of 2 kolven laten drogen in plaats van ze kakelvers, recht van de plant, in de pan te schuiven. Alleen is die gedachte nog nooit bij me opgekomen. Dus dit jaar begin ik met maiszaad van De Bolster: Golden Bantam. Je kunt ook voor andere maissoorten kiezen: er zijn er duizenden.
Omdat muizen en vogels mais ook heerlijk vinden, zaai ik mais voor. In een bakje met (minimaal) 4 cm aarde. Een druivenbakje is ideaal: daar passen tussen de 15 (3 x 5) a 24 (4 x 6) maiszaadjes in. Varieer vooral op dit thema met andere maten bakjes: 4 zaadjes per standaard potje van 9 cm, bijvoorbeeld.
Houd er rekening mee dat er een ondergrens zit aan het aantal maisplanten dat je kunt telen. Mais is een windbestuiver, oftewel een zaadje waait van de ene plant naar de andere en land daar met een beetje geluk op een stamper. Vergeleken met zelfbestuiving of bestuiving door insecten is deze strategie aanzienlijk risicovoller. Je moet daarom minstens zes, of beter nog 12 maisplanten bij elkaar zetten. En dan niet op een rijtje, of lekker random door je tuin, maar in een blok met steeds 30 cm tussenruimte tussen de planten, zowel in de lengte als de breedte.
Gelukkig neemt mais op de grond niet veel ruimte in: hij groeit vrij rechtdoor omhoog. Dat betekent dat je tussen je mais nog allerlei ander planten kunt zetten. Bijvoorbeeld pompoen en bonen. Zo telen de Indianen traditioneel deze nieuwe-wereld-planten.
Maar voor het zover is: je maiszaadjes zullen, als je ze dagelijks water geeft, in een paar weken ontkiemen. Dat ziet er zo’n beetje uit als gras. Koester ze en laat ze doorgroeien tot ze een beetje stevige steel krijgen. Dan kun je ze uitplanten.
Zo’n kluit planten kun je het makkelijkst ontwarren als de kluit nat is. Dan beschadig je de wortels een stuk minder. Nu plant je je maisbabies volgens een blokpatroon in je tuin. Maak je niet te druk om voeding en mest. Mais is niet veeleisend. Sterker nog: met te zware bemesting wordt mais minder zoet.
Vervolgens geniet je van de aanblik van zich uitstrekkende maisstengels. OP een goed moment zie je de kolven verschijnen. Als het baardhaar verkleurt, is je mais rijp. Hoe korter de tijd tussen oogst en consumptie, hoe zoeter de mais.
Als je van plan bent om maiszaad te bewaren voor volgend jaar, laat die kolven dan niet drogen aan de plant. Want dan gaan de vogels ermee vandoor. Droog je maiskolven binnen, op een droge, liefst donkere plek.

[Meer info over mais vind je in Het Grote Moestuinierboek op p. 87.]







Tekenen in de tuin

‘I like to watch’, zei Chauncey Gardiner graag, de onverstoorbare tuinman uit ‘Being There’. Jerzy Kosinski, de auteur van dit meesterlijke boek (verfilmd met een meesterlijke hoofdrol voor Peter Sellers) laat geweldig in het midden of deze tuinman nu compleet wereldvreemd is, of juist over hogere wijsheid beschikt.

Ik begrijp Chauncey de Tuinman helemaal: kijken in je tuin is een feestje. Doorlopend voltrekken zich veranderingen. Zijn het niet de planten, dan is het wel het licht, dat steeds anders valt. Of de weersomstandigheden zijn steeds anders. Of je kijkt uit een andere hoek en doet een nieuwe ontdekking.

Een goede manier om jezelf te dwingen tot goed kijken is door te tekenen. Of de tekening ‘lukt’, is eigenlijk van ondergeschikt belang. Het doel is niet het doel. Het gaat niet om de tekening, het gaat om het tekenen. (Of eigenlijk om het kijken.) Zoals tuinieren ook niet (alleen) om het resultaat gaat, maar (vooral) om het proces, en de lol die je eraan beleeft.

Marijke Apeldoorn heeft de illustraties gemaakt voor Het Grote Moestuinierboek. Ik vind ze prachtig, want ze geven niets weg. Ze laten je nog alle ruimte om wat er in jouw tuin groeit met eigen ogen te ontdekken. Je zult niet een-twee-drie een zeekool herkennen als je hem in het echt ziet omdat je Marijke’s tekening van een zeekool hebt gezien. Maar als je (ooit) een zeekool in je tuin hebt zien groeien, dan zul je ogenblikkelijk het zeekoolblad herkennen. En zien hoe raak Marijke het heeft getypeerd.

Een moestuin die langer dan één seizoen meegaat


Misschien denk je dezer dagen: ‘Ja, ik heb nu wel wat meer tijd voor mijn tuin, maar dat is straks weer voorbij.’ Dus je ziet voor je geestesoog je moestuin (met overwoekerde sla en doorgeschoten andijvie) alweer wegkwijnen.
Nee! Dit is een buitenkans om wat ingrepen in je achtertuin te doen zodat hij de komende jaren eetbaar(der) is. Er zijn talloze eetbare planten die een paar jaar meegaan (‘vaste planten’, in tuinjargon). Ze vergen alleen op de kop een beetje tijd, en verder heb je er nauwelijks tot geen omkijken naar. Een perfect project dus om nu (het is lente en je hebt tijd) aan te vatten.
Een paar voorbeelden: rabarber, artisjok, munt, bieslook, verveine, aardbeien, frambozen, bladvenkel, vlier, daslook, Japans zoethoutgras, zeekool, asperges, rozemarijn, appel, rode bessen, zwarte bessen, roomse kervel, zuring, aardpeer, druif, vijg.

Het fijne van al deze vaste planten: je kunt ervan oogsten, plukken en eten als je daar zin in hebt, maar er gaat niets mis als je dat niet doet. Dan eten de vogels of de egels je appels of bessen wel op. Of dan staat je zeekool te bloeien. Dat is prachtig om te zien, en het ruikt ook nog heerlijk.
De kunst is om goed te kiezen: wat vind je lekker? Wat vinden je huisgenoten lekker? En verder moet je goed nadenken over de plek. Het zijn tenslotte vaste planten, dus handig als die meteen goed staan. Hoe langer je eetbare aanwinst in de tuin blijft staan, hoe beter je na moet denken over een goede plek. Je verplaatst een pol bieslook nu eenmaal makkelijker dan een appelboom.

Verder moet er vermoedelijk een (sier)plant voor wijken, dus ook dat kun je leidend maken: aan welke sierplant ben je het minste gehecht? Of misschien staan er toch al een paar nerines te kwakkelen. Dan kun je op zoek gaan naar eetbare opvolgers die goede kansen maken op de vrijgevallen plek.
Ook goed om te weten: veel vaste planten doen het prima in een pot. Dat kan een uitkomst zijn als je nog niet precies weet waar je je vlierstruik wilt gaan planten. Het kan ook een uitkomst zijn als je helemaal geen tuin hebt, maar wel een dakterras of balkon. Ook van appelbomen en bessenstruiken bestaan compact blijvende variëteiten voor in een pot.

[Meer info: de inhoudsopgave van Het Grote Moestuinierboek vind je op p. 6 en 7.]


Snelle projecten met kinderen II


Iets telen met kinderen is leuk en leerzaam. Het lastige is dat het soms wel wat veel van het geduld vergt. Kinderen willen graag iets doen, en niet alleen maar kijken en wachten…. Dan is het telen van spruitgroenten misschien het perfecte project voor beginnende thuistelers.
Het bekendste voorbeeld van een spruitgroete is taugé. Dat is een ontkiemde mungboon. Behalve mungbonen kun je nog veel meer zaden laten ontkiemen, zelfs zonder watjes of natte keukenpapiertjes. Het enige wat ze nodig hebben om aan het groeien te slaan, is water. In het schap met spruitgroenten kun je tegenwoordig allerlei grappige zaadjes vinden zie heel geschikt zijn om te laten ontspruiten: van linzen tot prei en fenegriek, van rode biet tot mosterd en alfalfa.

Doe 1 eetlepel van de spruitgroente van je keuze in een weckpot (deksel niet nodig) met water en laat dat een halve dag tot een dag staan. Span er, met behulp van een elastiekje, een lapje of een stukje fijn gaas overheen. Na een dag weken giet je het water uit de pot. Door het lapje heen. En je laat de de pot op zijn kop staan, op dusdanige wijze dat het water eruit kan lekken. Dat kan op een afdruiprek. Of je legt twee eetstokjes dwars over en bordje en daar zet je de weckpot op zijn kop bovenop.
Nu komt het echt verantwoordelijke werk en dat is een perfect kindertaakje: vanaf nu moeten de zaadjes elke 12 uur afgespoeld worden. Als je de pot hebt afgedekt met een fijn stukje gaas, dan kan dat door het gaas heen: water erbij, beetje omschudden, water eruit gieten en de pot weer op zijn kop zetten. Gebruik je een lapje, dan is het vermoedelijk handiger om het lapje eraf te halen. Wel zorgen dat de zaadje allemaal in de pot zitten voor je het lapje eraf haalt! Kinderen zijn er heel goed in om dit met een ontroerende precisie te doen. Weer water erbij, voorzichtig omschudden, lapje er terug op, het water eruit laten lopen en de pot weer op zijn kop uit laten lekken.
Na een paar dagen begint het zaadje een staart te vertonen: dat is zijn worteltje. In het geval van taugé is je spruit dan klaar. Je taugé is nog een paar dagen te bewaren in de koelkast, tot je weet wat je erna gaat maken: een lekkere gadogado. Of een oosterse noedelsoep.
Sommige zaadje kun je nog verder uit laten lopen tot ze zowel een wortel als een steeltje hebben. Preispruiten bijvoorbeeld. Daarbij kun je niet eens zo goed zien waar welk onderdeel begint en ophoudt. Bij bietenspruiten kun je dat wel heel goed zien, want het bietensteeltje is rood.
De meeste spruiten zijn heerlijk als rauwkost; door de sla of op brood. Ze laten zich ook goed wokken. Of meekoken in een soep.
Spruiten van mosterd zijn echt wel pittig. Van fenegriekspruiten snap je meteen dat goed op hun plek zijn in een Indiaas gerecht.
Wees niet teleurgesteld als je taugescheuten een beetje donkerder beige zijn dan de scheuten van de winkel. Die worden namelijk gebleekt. Een truc om je scheuten zo bleek mogelijk te houden, is de pot steeds afgedekt te houden met een theedoek of zo, zodat ze geen zonlicht te zien krijgen. Want zonlicht veroorzaakt de aanmaak van pigment in de plantencellen. Het helpt natuurlijk ook om je scheuten op een plekje te zetten waar ze niet in de zon staan.

[Meer info over spruiten vind je in het hoofdstuk ‘Microtuinieren’, p. 163 van Het Grote Moestuinierboek.]




Snelle projecten met kinderen (I)

Het is fantastisch om met je kinderen te moestuinieren, omdat ze er zo ontzettend veel van leren (zonder dat ze het in de gaten hebben).
Iets telen vereist echter wel geduld, en dat is een les die voor kinderen soms best lastig is. Gelukkig zijn er ook snelle projecten, die met 10 dagen een eetbaar resultaat opleveren: kiemen (deze blogpost) en spruiten (volgende blogpost).
We kennen allemaal tuinkers. Dit is het ultieme voorbeeld van hoe het telen van kiemen in zijn werk gaat. Je legt een laag watten in een schaaltje of bordje. Een paar laagjes keukenrol kan ook. Die maak je nat. En daarop strooi je de kiemzaadjes van je keuze. Dat kan tuinkers zijn, maar in het schap met ‘zaden voor kiemgroenten’ neemt de keus almaar toe: van basilicumkers tot rucolakers, daikonkers, bietenkers en nog veel meer leuks. Het enige wat je hoeft te doen is zorgen dat je watjes niet uitdrogen. Precies een mooi taakje voor de kinderen. Eerst maken de zaadjes worteltjes (dat is nauwelijks te zien). Maar dan maken ze, na een dag of drie, ook een steeltje. En uit dat steeltje, dat nu ongeveer drie centimeter is groeit, klappen twee kiemblaadjes open. Wacht nog een dag, en dan zijn je kiemen klaar voor consumptie. Strooi ze over de sla, garneer er je vers gekookte eitje mee met Pasen, pimp je broodje-gezond met deze vitaminebommen.
Wil je iets extra speciaals telen voor de Paastafel, dan kun je je kiemen in de vorm van een hartje zaaien. Of kiemen van verschillende soorten door elkaar heen zaaien.
Je kunt je kiemen wel een week goed houden zolang je ze steeds water geeft. Je kiemen willen best verder groeien, maar aangezien je watjes nul voedingsstoffen bevatten, blijven de kiemen stationair in de kiemstand staan.