Auteursarchief: elbrichf

Vertalersgelukje: (of ‘gewonnen in vertaling’)

Als vertaler kun je nooit recht doen aan alles connotaties/associaties/suggesties die in het origineel zitten. De uitdaging is om een zo hoog mogelijk percentage te scoren in het uitdrukken van wat de schrijver bedoelt.
Dus over het algemeen opereer je bijna altijd in de min. Het is al mooi als je ergens tussen de negentig en de honderd procent komt. Er raakt altijd iets ‘lost in translation’. Hoger dan honderd is onmogelijk. Op het moment dat ik denk dat mijn vertaling beter/mooier/rijker is dan het origineel, moet ik me eigenlijk achter mijn oren gaan krabben. Als de vertaling meer dan 100 procent overlapt, overlapt hij namelijk niet meer. (Het is bij vlagen trouwens best lastig om de vertaling niet ‘beter’ te maken dan het origineel. Om niet de pen van de redacteur te pakken.)
Maar een enkele keer komt het voor dat je een kadootje krijgt. Vaak eindigen zulke kadootjes weer op de snijtafel. Dan gaat er in het Nederlands iets meetrillen dat niet in het origineel zit.
In De moord op Commendatore is één zo’n kadootje ongeschonden door alle correctierondes heengekomen. En het is zo perfect onopvallend, dat ik hier mijn vertalersgelukje ga uitspellen:

‘Ik kon me er niets bij voorstellen dat we na de ontbinding van ons huwelijk een relatie als vrienden zouden hebben. Gedurende de zes jaar dat we getrouwd waren hebben we zoveel met elkaar gedeeld. Zoveel tijd, zoveel emoties, zoveel woorden en zoveel stiltes, zoveel twijfels en zoveel oordelen, zoveel afspraken en zoveel berusting, zoveel genot en zoveel verveling.’

Ja, dat vond ik nu serieus leuk dat het laatste woord ‘verveling’ was, na de elfde ‘zoveel’. Wat een geluk dat dat nu net het allerlaatste woord was. Ik hoefde er niets voor te doen. Het is ondenkbaar dat Murakami het zo heeft uitgemikt dat zijn opsomming in de Nederlandse vertaling deze uitsmijter krijgt. Ik heb er niets aan hoeven doen, het stond er zo, in deze volgorde, in het Japans. En de verveling was de kers op de taart.

 

In sake-droesem ingelegde geelvinmakreel

 

Met de ‘buri’ (Seriola quinqueradiata oftewel de goudvinmakreel) liep het juist weer heel anders af dan met de Japanse brilvogel. De hoofdpersoon zit in sakedroesem ingelegde geelvinmakreel te eten als Marie hem onverwacht komt opzoeken. Is het nu de taak van de vertaler om met een gerecht op de proppen te komen dat de Nederlandse lezer vertrouwder is? Nee, juist niet! Murakami is superspecifiek. En dat kun je als vertaler gewoon volgen.
Zelf vis in sakedroesem inleggen is overigens in Japan geen schering en inslag. Dus ja, de hoofdpersoon is best excentriek met zijn visgerecht.Niet omdat hij een Japanner is, maar omdat hij een een excentrieke Japanner is.

Kill your darlings: het gesneuvelde roodborstje…

Letterlijk vertaald betekent ‘mejiro’ iets als ‘witoogje’. Het is de naam voor een vogeltje met een wit randje om de ogen. Hij heeft iets heel vertederends, niet in de laatste plaats doordat hij graag in bloeiende kersenbomen vertoeft. De officiële Nederlandse naam is: Japanse brilvogel.
Maar wat te doen als de hoofdpersoon in een Japanse roman door het bos wandelt en een ‘mejiro’-achtig vogeltje ziet vliegen? Een ding staat vast: de vertaling wordt niet ‘een Japanse brilvogel-achtig vogeltje’. Het doel is immers niet om recht te doen aan de wetenschappelijk correcte aanduiding. We moeten op zoek naar een vogeltje dat net zo huis-tuin-keuken-achtig is als een mejiro voor Japanners, en die er bij voorkeur ook op lijkt.
Ik was heel erg in mijn nopjes toen ik op het roodborstje uitkwam. Want ook dit vogeltje dankt zijn naam aan een combinatie van kleur en lichaamsdeel, en op de koop toe klopt het formaat ongeveer. Maar ik was vooral ingenomen met het roodborstje omdat die een gelijksoortige vertedering opwekt als de mejiro. En iedereen kent hem. Even checken: ja hoor, er zijn roodborstjes in Japan!
Maar de volgende hobbel diende zich aan: in de vertaling werd dat dus: ‘een roodborstje-achtig vogeltje’. Dat ‘je’ van het verkleinwoord voegde niet lekker met ‘-achtig’. ‘Roodborst-achtig’ dan? Nu was het vertederende goeddeels verdwenen…
En dan komt er een moment dat je je als vertaler realiseert dat als je te veel moet duwen om het goed te krijgen, je misschien moet stoppen met duwen en beter een heel andere pad kunt inslaan. Dus gezocht in de Japanse brilvogel-familie op zoek naar nieuwe kanshebbers. Het is uiteindelijk ‘een mus-achtig vogeltje’ geworden. Hij voldoet aan de basis-vereisten: goede maat, courant, algemeen bekend, het is een soort vogel waarnaar je verwijst om aan te geven wat voor soort vogel je bedoelt waarvan je de naam niet weet. Dus de Nederlandse lezer krijgt vergelijkbare info met de Japanse. Case closed, zou je zeggen. Maar het gaat me toch een beetje aan het hart dat het roodborstje is gesneuveld…

Jazz; of het ritme van taal in een vertaling

 

foto Fotopersbureauhca / Patrick Harderwijk

Ja, het was een heel leuk idee van Matthijs van Nieuwkerk en Wilfried de Jong om een Japanner een stukje voor te laten lezen tijdens hun blokje ‘Murakami en jazz’ op het Murakami-weekend, dat afgelopen zaterdag en zondag op de SS Rotterdam werd gehouden om te vieren dat deel II van Murakami’s Moord op Commendatore uit is. Zo klinkt Japans dus! Spannend, strak, staccato. Extra leuk om eens te horen hoe Japans klinkt als je bedenkt dat Murakami vaak zegt dat hij muziek luistert als hij schrijft, en dat ritme in zijn tekst heel belangrijk is.
Voor de hand liggende vraag van de twee jazz-mannen: is er een vertaler in de zaal die kan uitleggen wat je daarmee doet in de vertaling? Die vertaler in de zaal, dat was ik. Lang verhaal kort: nee, daar kun je in een vertaling niets van meenemen. Kort verhaal lang: Het is al een hele puzzel om karakters te ontcijferen; om de woordvolgorde, die in het Japans compleet andersom is, goed in het Nederlands te krijgen en toch de aansluiting met de voorafgaande zin en de volgende zin te houden; om een goede balans te bewaren tussen interpreteren en ruimte laten. Dus veel ruimte om het ritme recht te doen is er niet. Dat bungelt onderaan de prioriteitenlijst. Nog korter veel gezegd: Nederlands klinkt nu eenmaal nooit als Japans.
Eigenlijk weet iedereen wel hoe Japans zo’n beetje klinkt: mitsubishi, Murakami, Nagasaki, sashimi. Korte lettergrepen, van steeds een medeklinker plus een klinker. Of soms alleen een klinker. Of een ‘n’-klank: Honda. Dat betekent dat er zo’n 65 onderscheidende klanken zijn (dertien medeklinkers x 5 klinkers: a, i, oe, e, o)  plus nog een stuk of wat combiklanken als ‘kyo’, en ‘myo’. Dat betekent bijvoorbeeld dat een op de vijf Japanse woorden op elkaar rijmt. Vandaar dat rijm geen dichterlijke betekenis heeft in het Japans. Voor een Japans gedicht zit de beperking in het het keurslijf van aantallen lettergrepen. De kortste is de haiku:  5-7-5:
(een goede haiku:
zeventien lettergrepen
plus ietwat natuur)
Dat is uit te breiden met twee regels van 7 lettergrepen, gevolgd door weer een blokje haiku (5-7-5), gevolgd door weer twee regels van 7 lettergrepen. Etcetera. Liefst in de vorm van een poetry-battle (of beurt-dicht). Gesproken dus. Liefst geïmproviseerd. Ja, dat komt in de buurt van jazz.
Ondertussen bleef het een beetje knagen, die vraag over ritme in taal. Afgezien van in dialogen hoor ik namelijk niet veel ritme als ik Japans lees. En opeens snapte ik die betrekkelijke stilte in mijn hoofd: je kunt Japans lezen zonder te weten hoe je het uitspreekt.
Karakters zijn ideogrammen. Die geven een betekenis weer. Daar zit geen klank in. je kunt ze wel uitspreken, maar de uitspraak moet je er apart bijleren. Die zit niet ingebakken in het karakter. Een ideogram is denk ik het makkelijkst te vergelijken met cijfers. 3 x 3 = 9: Dit kun je snappen zonder het uit te spreken. Vandaar dat wiskundigen voor een schoolbord voor elkaar hypotheses kunnen opschrijven, en wiskundige gedachten kunnen uitwisselen die ze dan van elkaar snappen (vermoed ik). Dat kan zonder woorden. Of vergelijk het met muziek. Musici kunnen met elkaar samenspelen, ook al spreken ze elkaars taal niet. Zolang ze de notenbalkentaal maar kennen.
Musici: dat is nou een woord dat dat lekkere ritme van het Japans heeft. Maar lees bovenstaand stukje nog eens door op zulke ‘nagasaki’-woorden en je snapt de hopeloosheid van de exercitie om Japans ritme recht te doen in het Nederlands.

.

 

Dante, Knausgard en de verraderlijkheid van taal

Zoals dat gaat: opeens struikel ik over talloze mooie observaties over taal.
Vandaag Dante, geciteerd door Knausgård in zijn boek ‘Winter’, in het hoofdstukje over ‘Gewoontes’.
[Dit citaat  is ongetwijfeld oorspronkelijk door Dante in het Italiaans opgeschreven, vermoedelijk door Knausgård in het Noors vertaald, en door de vertaler Marin Mars weer naar het Nederlands. Blijkbaar is de oertekst krachtig genoeg om overeind te blijven.]

‘Dante schreef dat niemand een ander wezen kan begrijpen door van zijn eigen gevoelens uit te gaan […], en dat God ons daarom de taal heeft gegeven. Met andere woorden om de verschillen zichtbaar te maken zodat ze voorspelbaar en functioneel worden en het sociale mogelijk maken. Maar worden de verschillen herhaald, dan worden het overeenkomsten, hun eigen tegengestelde dus. Dit maakt taal verraderlijk, ze dient twee heren en dat is de enige reden dat literatuur bestaat. Dat is ook de reden dat alleen mensen die niet kunnen schrijven, literatuur kunnen schrijven. Want wordt de gewoonte onderdeel van de literatuur, dan is het geen literatuur meer, maar de zoveelste steiger voor het leven.’

Ik heb net Murakami’s De moord op Commendatore vertaald. En ik heb net Moby Dick uitgelezen.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de vorm van beide boeken is ingegeven door een bepaalde innerlijke urgentie. (ik weet niet of die urgentie in het innerlijk van het boek zit, of in het innerlijk van de schrijver…) Murakami en Melville zijn allebei schrijvers die buiten de lijntjes kleuren. Sterker nog, ik wist bij Moby Dick niet eens precies waar het boek begon, omdat Melville uit de startblokken gaat met de etymologie van het woord walvis. Murakami tart op zijn manier klassieke schrijverswetten (zoals de spoiler over de afloop in hoofdstuk I, om de voor de hand liggendste te noemen.) Murakami scheept je met talloze losse eindjes op, en je moet zelf maar de stippellijntjes trekken van het ene naar het andere. Hoe beter je leest, hoe beter het boek wordt,
Als de redacteur belt met de vraag hoe ze iets op moeten maken, dan weet je zeker dat de tekst  buiten de gebaande paden is beland. Dat was het geval met het laatste hoofdstuk van deel I. Vlak na een torenhoge cliffhanger komt een citaat uit een boek over Treblinka over een portretschilder. Het is net zo’n soort Fremdkörper als de woordenlijst aan het begin van Moby Dick.

Taal en tolerantie, of: hoe verruim ik mijn geest?

In mijn agenda zit al een tijdje een artikel uit De Groene Amsterdammer dat ‘Meertaligheid is tolerantie’ heet. Daarin wijst  Mathieu Segers op een essay van John Le Carré  voor The Guardian. Daarin noemt Le Carré de beslissing om een buitenlandse taal te leren (Carré leerde Duits) ‘an act of friendship’. Volgens Le Carré is het beheersen van een tweede taal als het hebben van een tweede ziel. Het ambacht van vertalen staat gelijk aan het verzoenen van die twee zielen. Het verzoenen van de twee zielen is nooit volmaakt, nooit af. Het vergt aanhoudende intellectuele flexibiliteit, vasthoudendheid, aanpassing en zelfanalyse. Le Carré houdt een pleidooi voor het leren van vreemde talen. Het koesteren van meertaligheid is een directe investering in cohesie en vertrouwen.
Nou, dat zette me aan het denken! Om te beginnen is het voor mij als Nederlander bijna niet voor te stellen dat er mensen zijn die maar één taal kennen, maar daar zijn er natuurlijk heel veel van. Ik kan me voorstellen dat dat in zijn soort een claustrofobische ervaring is. Waar de desbetreffende persoon zich misschien wel helemaal niet zo bewust van is (je weet immers niet beter). Ik kan me ook voorstellen dat het een beperkt blikveld in de hand werkt. Je kunt niet op eigen kracht kennis nemen van wat in een andere taal wordt gezegd, geschreven of gedacht.
Het leren van een nieuwe taal leren rekt je denkwijze en zienswijze op verschillende manieren op, is mijn ervaring. Om te beginnen merk je dat taal zelf heel anders in elkaar kan zitten dan je van je eigen taal kent. Hoe vreemder de taal, hoe groter dat contrast wordt. En hoe duidelijker het wordt dat je eigen taal maar een talloze manieren is om iets uit te drukken. Met zijn rijkdom, en met zijn beperkingen.
Die variaties zijn deels ingegeven door landschap, klimaat of eetgewoontes, maar ook door een andere kijk op de wereld. De Grieken zeggen (als ik het goed heb onthouden) iets als ‘angst heeft mij’ in plaats van ‘ik heb angst’. Voelt een bange Griek nu hetzelfde als een bange Nederlander en verwoordt hij het anders? Of voelen we ook iets anders? Ik vind dat interessante vragen.  Die je pas kunt stellen als je kennis neemt van verschillen.
Als je een andere taal leert, ervaar je niet alleen dat een taal heel anders in elkaar kan zitten, maar dat ook een mens en/of een maatschappij heel anders in elkaar kan zitten. Dat is bij een taal als Japans (natuurlijk) in extreme mate het geval.
Ik betrap me er tijdens het vertalen op dat ik heen en weer zwalk tussen twee uitersten:
Mijn ene overtuiging: we zijn allemaal mensen, niets menselijks is ons vreemd, dus het moet mogelijk zijn om over te brengen wat er door iemand anders heen gaat.
Aan het andere eind van het spectrum: Zelfs al spreek je dezelfde taal, dan ben je er nog niet zeker van dat je iets van een ander begrijpt. Kan de ene mens überhaupt begrijpen wat er in een ander mens omgaat?
Nou, dat is best een breed terrein waarop ik me als vertaler begeef.
IK geloof niet eens dat de mate waarin ik slaag iets over te brengen de maatstaf is voor de zin van de exercitie. De zin van de exercitie is haar aan te gaan. Ja, er gaat iets verloren in de vertaling (‘lost in translation’, zoals het zo mooi klinkt in het Engels). Tegelijkertijd kan ik iets ontsluiten.
Ik kan het alleen maar roerend met John Le Carré eens zijn om te pleiten voor meertaligheid. Zowel voor de ander, als voor jezelf. Het vergroot je wereld en het verruimt je geest. En misschien ook wel je vermogen tot tolerantie…

 

 

Het grote aftellen is begonnen: deel II arriveert op vrijdag 12 januari

Op 12 januari verschijnt deel II van De Moord op Commmendatore!
Dat wordt groots gevierd op 13 en 14 januari op de SS Rotterdam met het Murakami-weekend.
Mooie line-up (check het blokkenschema), met onder andere op zondagmiddag een sessie met de vertalers (Luk van Haute en ik) over – verrassing – het vertalen van Murakami.
Over klippen en kliffen, gegrom en gebrom, maar ook het tellen van streepjes.
Welkom!

 

Bijvangst: Moby Dick (met onbegrepen taal en tekens)

Een van de verrukkelijkste zijpaden waar ‘De Moord op Commendatore’ me heen heeft geleid, is Moby Dick van Herman Melville. Natuurlijk kende ik  de beroemde openingszin (‘Call me Ismael’) en wist ik dat het niet goed afliep. Maar het gaat natuurlijk om de zeshonderd pagina’s ertussen.
Wat een prachtig boek! Zo een die je deur aan deur door de brievenbus wilt duwen. Zo een waarbij je wel van de daken wil schreeuwen van ‘Leest dat boek!’
Bij deze: Leest dat boek!
De verwijzing in ‘De moord op Commendatore’ naar Moby Dick, of eigenlijk naar kapitein Achab, is maar heel terloops. Maar al lezend gaat toch wat overeenkomsten opvallen. Wat beide boeken gemeen hebben, is dat ze allebei geen geheim maken van de afloop. Het doel is niet het doel. Het gaat om de weg ernaartoe.
En wat een feest is dat! Moby Dick is echt een boek om in kleine porties tot je te nemen en heel lang van te genieten. Talloos zijn de passages die ik om hun schitterende beeld of hun schitterende taal wel in mijn ‘mooie-zinnen-boekje’ op wil schrijven.
Ik citeer hier een prachtig  stukje over taal en tekens (geen idee of het overkomt, zo los van context…):
‘Nu bestaat er een opvallend verschil tussen wilde en beschaafde mensen; dat terwijl een zieke, beschaafde mens er om iets te noemen zes maanden over doet om te herstellen, een wilde alweer bijna beter is in een dag. Dus weldra raakte onze Queequeg weer op krachten. {…}
Met een dwaze grilligheid gebruikte hij zijn doodskist nu als een zeemanskist, leegde er zijn zeildoeken plunjezak in en schikte zijn kleren er netjes in. Hij bracht vele vrije uren door met het besnijden van het deksel met allerlei groteske figuren en tekeningen, en het scheen dat hij daarbij op zijn ruwe manier probeerde stukken van de grillige tatoeëring op zijn lichaam over te nemen. En deze tatoeëring was het werk geweest van een overleden profeet en ziener op zijn eiland, die door middel van deze hiëroglyfische tekens op zijn lichaam een volslagen beschouwing over de hemelen em de aarde had neergeschreven en een  mystieke verhandeling over de kunst om tot de waarheid te geraken; zodat Queequeg in eigen persoon een nog onopgeloste raadsel was, een wondelijk boekwerk in één deel maar waarvan hij zelf de geheimen niet eens kon lezen, al klopte zijn eigen levende hart er tegenaan; en daarom waren deze geheimen voorbestemd om tenslotte tot stof te vergaande met het levende perkament waarop ze geschreven waren, en zo tot het laatste toe onopgelost te blijven.’

[ik heb natuurlijk geen idee hoe die tatoeages van Queequeg eruit kunnen hebben gezien. Maar de foto hierboven – in een reportage over beschermende tatoeages in Thailand – deed me denken aan de getatoueerder Queequeg]

 

 

 

 

tekeningen, tekens, beelden en karakters


Je zou misschien denken dat een pijltje wel zo’n beetje een universeel symbool is. Maar als je kijkt naar de karakters hiernaast voor boven/omhoog/instappen en voor onder/omlaag/uitstappen, dan zie je toch een andere logica aan het werk: er is een basis – de horizontale streep – en iets wat zich daarboven of daaronder bevindt.

Er zijn meerdere manieren om iets abstracts weer te geven. In geval van karakters zegt dat  niet zozeer iets over het wereldbeeld van Japan/ Japanners, als wel over China/Chinezen.
Japan is eigenlijk vrij lang een ongeletterd land gebleven. Daar op hun eilandjes aan de rand van de wereld bleven Jappners lang verstoken van briljante uitvinden (zoals het schrift) die hun weg vonden over de wereld, en.hebben Japanners hebben nooit op eigen kracht een manier uitgevonden om hun taal op schrift te stellen
Pas toen er een vanaf de vierde, vijfde eeuw een uitwisseling tussen Japan en China tot stand kwam, deed het concept van schrift zijn intrede in Japan. Het Chinese ideogrammenschrift, dat op dat moment al een paar millennia oud was en dus wel was uitgekristalliseerd, is min of meer integraal overgenomen. Dus als je wilt weten waarom een-vrouw-onder-een-dakje vrede betekent, of waarom rijstveld-met-kracht het karakter voor man is, moeten we naar China. En daar hebben we gelukkig een fantastische gids voor.

De Zweedse sinologe Cecilia Lindquist volgt in haar boek ‘Het karakter van China’ het spoor naar de oorsprong van karakters in China. Dit is een geweldig boek!  Het gaat over landschap, geschiedenis, voeding, kleding, muziekinstumenten, dieren (inclusief fabeldieren als draken). En natuurlijk ook over wereldbeeld.
De prachtige coverfoto vertelt al een etymologische verhaal. Het karakter voor ‘berg’ is 山. Dat is niet het eerste beeld dat bij ons opkomt als symbool voor ‘berg’. Maar als je weet hoe Chinese bergen eruit zien (zie cover), en als weet hoe Chinezen hun bergen zagen (zie tekening), dan is het karakter voor ‘berg’ (in kalligrafie boven de tekening) niet meer zo vergezocht.

[Alle afbeeldingen zijn afkomstig uit het boek van Lindquist]

De proloog: ‘Doe het voor mij’

Het Japans heeft niet alleen geen lidwoorden , het doet ook niet aan enkelvoud en meervoud. Persoonsvormen bij werkwoorden: ook niet. Toch is het Japans (natuurlijk) niet een soort Klukkluk-taal. Het Japans heeft zijn eigen strategieën om te specificeren.
Bijvoorbeeld door het aangeven van richting. Als je in conversatie aan een (persoonsvormsloos) werkwoord een ‘hulpwerkwoord’ toevoegt dat richting aangeeft, wordt duidelijk dat het van de spreker naar de luisteraar gaat, of juist andersom. Alsof je er een soort pijltje bijzet: ‘van mij naar jou’, dan wel ‘van jou naar mij’. Die pijltjes zijn er in verschillende smaken: van de nederige vraag, tot een verleende gunst.
Zo’n pijltje geeft dus niet alleen aan of die richting heen, dan wel weer is, maar ook een richting van hoog naar laag: u in uw oneindige goedheid, ik in mijn oneindige goedheid. Je weet dus ook wie bij wie in het krijt staat, of hoe de verhoudingen liggen. Sterker nog: de karakters voor de hulpwerkwoorden voor ‘ik voor u’ en ‘u voor mij ( = alstublieft)’  zijn de karakters voor boven/omhoog en onder/omlaag.

En nu ter zake: de prolooog
Het is subtiele shit en meteen in de proloog liepen we al vast. Nu is een begin altijd lastig. Je moet als vertaler nog de toon vinden, je weet nog niet hoe de verhoudingen liggen, je kent de personages nog niet. Het wordt er niet makkelijker op als het eerste de beste personage iemand zonder gezicht is. Het goede nieuws: we zijn meteen in een Murakami-eske situatie beland. Maar dat betekent ook dat je (als vertaler) je houvast kwijt bent, want wat refereert hier nog aan de werkelijkheid? Dus extra opletten geblazen, en daar zit je dan met je vergrootglas. Geen detail blijft onbelicht. Gaat het om een spreekwoordelijk waas? Moet het gelukspoppetje zijn of een talisman? Of toch mascotte? De proloog blijft lang los zand, en we kunnen er niet de vinger op leggen of het nu aan Murakami ligt of aan ons…
En zoals bij Baantjer de goede invallen komen als hij in zijn stamkroeg aan de jenever zit, zo valt opeens het kwartje als we het vergrootglas opzij leggen. Er is ongelijkwaardigheid tussen de personages. Al de richtingpijltjes wijzen erop. In een realistischere setting zou het meteen duidelijk zijn geweest: meester-leerling, baas- werknemer, senior-junior, man-vrouw. Daar kunnen we nu aan toevoegen: ‘man zonder gezicht’-portretschilder.
Nu vallen de stukjes op zijn plaats. We laten het ene personage met ‘je’ spreken en het andere met ‘u’. Het vleugje gezelligheid, het onderons-achtige dat het gesprek aankleefde toen ze elkaar nog tutoyeerden,, is meteen verdwenen. Als een waas… En die portretschilder gaat nog heel hard zijn gelukspoppetje/mascotte/talisman nodig hebben.