Categoriearchief: waar ik over denk als ik Murakami vertaal

Op dit blog doe ik verslag van het avontuur dat het vertalen van een roman van Haruki Murakami is. Verheug je op bespiegelingen over vertalen, verbazing over het genie van Murakami, op het ontrafelen van de Japanse taal. En omdat het over De moord op Commendatore gaat, gaan we zeker ook schampen langs opera, de oude Grieken, portretkunst, hunkeren, jazz, liefde, omwegen, mascottes, een pratende mummie, knapperend houtvuur, liefde, Wenen in nazi-tijd, geheime agenda’s en een parallel universum.

Dante, Knausgard en de verraderlijkheid van taal

Zoals dat gaat: opeens struikel ik over talloze mooie observaties over taal.
Vandaag Dante, geciteerd door Knausgård in zijn boek ‘Winter’, in het hoofdstukje over ‘Gewoontes’.
[Dit citaat  is ongetwijfeld oorspronkelijk door Dante in het Italiaans opgeschreven, vermoedelijk door Knausgård in het Noors vertaald, en door de vertaler Marin Mars weer naar het Nederlands. Blijkbaar is de oertekst krachtig genoeg om overeind te blijven.]

‘Dante schreef dat niemand een ander wezen kan begrijpen door van zijn eigen gevoelens uit te gaan […], en dat God ons daarom de taal heeft gegeven. Met andere woorden om de verschillen zichtbaar te maken zodat ze voorspelbaar en functioneel worden en het sociale mogelijk maken. Maar worden de verschillen herhaald, dan worden het overeenkomsten, hun eigen tegengestelde dus. Dit maakt taal verraderlijk, ze dient twee heren en dat is de enige reden dat literatuur bestaat. Dat is ook de reden dat alleen mensen die niet kunnen schrijven, literatuur kunnen schrijven. Want wordt de gewoonte onderdeel van de literatuur, dan is het geen literatuur meer, maar de zoveelste steiger voor het leven.’

Ik heb net Murakami’s De moord op Commendatore vertaald. En ik heb net Moby Dick uitgelezen.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de vorm van beide boeken is ingegeven door een bepaalde innerlijke urgentie. (ik weet niet of die urgentie in het innerlijk van het boek zit, of in het innerlijk van de schrijver…) Murakami en Melville zijn allebei schrijvers die buiten de lijntjes kleuren. Sterker nog, ik wist bij Moby Dick niet eens precies waar het boek begon, omdat Melville uit de startblokken gaat met de etymologie van het woord walvis. Murakami tart op zijn manier klassieke schrijverswetten (zoals de spoiler over de afloop in hoofdstuk I, om de voor de hand liggendste te noemen.) Murakami scheept je met talloze losse eindjes op, en je moet zelf maar de stippellijntjes trekken van het ene naar het andere. Hoe beter je leest, hoe beter het boek wordt,
Als de redacteur belt met de vraag hoe ze iets op moeten maken, dan weet je zeker dat de tekst  buiten de gebaande paden is beland. Dat was het geval met het laatste hoofdstuk van deel I. Vlak na een torenhoge cliffhanger komt een citaat uit een boek over Treblinka over een portretschilder. Het is net zo’n soort Fremdkörper als de woordenlijst aan het begin van Moby Dick.

Taal en tolerantie, of: hoe verruim ik mijn geest?

In mijn agenda zit al een tijdje een artikel uit De Groene Amsterdammer dat ‘Meertaligheid is tolerantie’ heet. Daarin wijst  Mathieu Segers op een essay van John Le Carré  voor The Guardian. Daarin noemt Le Carré de beslissing om een buitenlandse taal te leren (Carré leerde Duits) ‘an act of friendship’. Volgens Le Carré is het beheersen van een tweede taal als het hebben van een tweede ziel. Het ambacht van vertalen staat gelijk aan het verzoenen van die twee zielen. Het verzoenen van de twee zielen is nooit volmaakt, nooit af. Het vergt aanhoudende intellectuele flexibiliteit, vasthoudendheid, aanpassing en zelfanalyse. Le Carré houdt een pleidooi voor het leren van vreemde talen. Het koesteren van meertaligheid is een directe investering in cohesie en vertrouwen.
Nou, dat zette me aan het denken! Om te beginnen is het voor mij als Nederlander bijna niet voor te stellen dat er mensen zijn die maar één taal kennen, maar daar zijn er natuurlijk heel veel van. Ik kan me voorstellen dat dat in zijn soort een claustrofobische ervaring is. Waar de desbetreffende persoon zich misschien wel helemaal niet zo bewust van is (je weet immers niet beter). Ik kan me ook voorstellen dat het een beperkt blikveld in de hand werkt. Je kunt niet op eigen kracht kennis nemen van wat in een andere taal wordt gezegd, geschreven of gedacht.
Het leren van een nieuwe taal leren rekt je denkwijze en zienswijze op verschillende manieren op, is mijn ervaring. Om te beginnen merk je dat taal zelf heel anders in elkaar kan zitten dan je van je eigen taal kent. Hoe vreemder de taal, hoe groter dat contrast wordt. En hoe duidelijker het wordt dat je eigen taal maar een talloze manieren is om iets uit te drukken. Met zijn rijkdom, en met zijn beperkingen.
Die variaties zijn deels ingegeven door landschap, klimaat of eetgewoontes, maar ook door een andere kijk op de wereld. De Grieken zeggen (als ik het goed heb onthouden) iets als ‘angst heeft mij’ in plaats van ‘ik heb angst’. Voelt een bange Griek nu hetzelfde als een bange Nederlander en verwoordt hij het anders? Of voelen we ook iets anders? Ik vind dat interessante vragen.  Die je pas kunt stellen als je kennis neemt van verschillen.
Als je een andere taal leert, ervaar je niet alleen dat een taal heel anders in elkaar kan zitten, maar dat ook een mens en/of een maatschappij heel anders in elkaar kan zitten. Dat is bij een taal als Japans (natuurlijk) in extreme mate het geval.
Ik betrap me er tijdens het vertalen op dat ik heen en weer zwalk tussen twee uitersten:
Mijn ene overtuiging: we zijn allemaal mensen, niets menselijks is ons vreemd, dus het moet mogelijk zijn om over te brengen wat er door iemand anders heen gaat.
Aan het andere eind van het spectrum: Zelfs al spreek je dezelfde taal, dan ben je er nog niet zeker van dat je iets van een ander begrijpt. Kan de ene mens überhaupt begrijpen wat er in een ander mens omgaat?
Nou, dat is best een breed terrein waarop ik me als vertaler begeef.
IK geloof niet eens dat de mate waarin ik slaag iets over te brengen de maatstaf is voor de zin van de exercitie. De zin van de exercitie is haar aan te gaan. Ja, er gaat iets verloren in de vertaling (‘lost in translation’, zoals het zo mooi klinkt in het Engels). Tegelijkertijd kan ik iets ontsluiten.
Ik kan het alleen maar roerend met John Le Carré eens zijn om te pleiten voor meertaligheid. Zowel voor de ander, als voor jezelf. Het vergroot je wereld en het verruimt je geest. En misschien ook wel je vermogen tot tolerantie…

 

 

Het grote aftellen is begonnen: deel II arriveert op vrijdag 12 januari

Op 12 januari verschijnt deel II van De Moord op Commmendatore!
Dat wordt groots gevierd op 13 en 14 januari op de SS Rotterdam met het Murakami-weekend.
Mooie line-up (check het blokkenschema), met onder andere op zondagmiddag een sessie met de vertalers (Luk van Haute en ik) over – verrassing – het vertalen van Murakami.
Over klippen en kliffen, gegrom en gebrom, maar ook het tellen van streepjes.
Welkom!

 

Bijvangst: Moby Dick (met onbegrepen taal en tekens)

Een van de verrukkelijkste zijpaden waar ‘De Moord op Commendatore’ me heen heeft geleid, is Moby Dick van Herman Melville. Natuurlijk kende ik  de beroemde openingszin (‘Call me Ismael’) en wist ik dat het niet goed afliep. Maar het gaat natuurlijk om de zeshonderd pagina’s ertussen.
Wat een prachtig boek! Zo een die je deur aan deur door de brievenbus wilt duwen. Zo een waarbij je wel van de daken wil schreeuwen van ‘Leest dat boek!’
Bij deze: Leest dat boek!
De verwijzing in ‘De moord op Commendatore’ naar Moby Dick, of eigenlijk naar kapitein Achab, is maar heel terloops. Maar al lezend gaat toch wat overeenkomsten opvallen. Wat beide boeken gemeen hebben, is dat ze allebei geen geheim maken van de afloop. Het doel is niet het doel. Het gaat om de weg ernaartoe.
En wat een feest is dat! Moby Dick is echt een boek om in kleine porties tot je te nemen en heel lang van te genieten. Talloos zijn de passages die ik om hun schitterende beeld of hun schitterende taal wel in mijn ‘mooie-zinnen-boekje’ op wil schrijven.
Ik citeer hier een prachtig  stukje over taal en tekens (geen idee of het overkomt, zo los van context…):
‘Nu bestaat er een opvallend verschil tussen wilde en beschaafde mensen; dat terwijl een zieke, beschaafde mens er om iets te noemen zes maanden over doet om te herstellen, een wilde alweer bijna beter is in een dag. Dus weldra raakte onze Queequeg weer op krachten. {…}
Met een dwaze grilligheid gebruikte hij zijn doodskist nu als een zeemanskist, leegde er zijn zeildoeken plunjezak in en schikte zijn kleren er netjes in. Hij bracht vele vrije uren door met het besnijden van het deksel met allerlei groteske figuren en tekeningen, en het scheen dat hij daarbij op zijn ruwe manier probeerde stukken van de grillige tatoeëring op zijn lichaam over te nemen. En deze tatoeëring was het werk geweest van een overleden profeet en ziener op zijn eiland, die door middel van deze hiëroglyfische tekens op zijn lichaam een volslagen beschouwing over de hemelen em de aarde had neergeschreven en een  mystieke verhandeling over de kunst om tot de waarheid te geraken; zodat Queequeg in eigen persoon een nog onopgeloste raadsel was, een wondelijk boekwerk in één deel maar waarvan hij zelf de geheimen niet eens kon lezen, al klopte zijn eigen levende hart er tegenaan; en daarom waren deze geheimen voorbestemd om tenslotte tot stof te vergaande met het levende perkament waarop ze geschreven waren, en zo tot het laatste toe onopgelost te blijven.’

[ik heb natuurlijk geen idee hoe die tatoeages van Queequeg eruit kunnen hebben gezien. Maar de foto hierboven – in een reportage over beschermende tatoeages in Thailand – deed me denken aan de getatoueerder Queequeg]

 

 

 

 

tekeningen, tekens, beelden en karakters


Je zou misschien denken dat een pijltje wel zo’n beetje een universeel symbool is. Maar als je kijkt naar de karakters hiernaast voor boven/omhoog/instappen en voor onder/omlaag/uitstappen, dan zie je toch een andere logica aan het werk: er is een basis – de horizontale streep – en iets wat zich daarboven of daaronder bevindt.

Er zijn meerdere manieren om iets abstracts weer te geven. In geval van karakters zegt dat  niet zozeer iets over het wereldbeeld van Japan/ Japanners, als wel over China/Chinezen.
Japan is eigenlijk vrij lang een ongeletterd land gebleven. Daar op hun eilandjes aan de rand van de wereld bleven Jappners lang verstoken van briljante uitvinden (zoals het schrift) die hun weg vonden over de wereld, en.hebben Japanners hebben nooit op eigen kracht een manier uitgevonden om hun taal op schrift te stellen
Pas toen er een vanaf de vierde, vijfde eeuw een uitwisseling tussen Japan en China tot stand kwam, deed het concept van schrift zijn intrede in Japan. Het Chinese ideogrammenschrift, dat op dat moment al een paar millennia oud was en dus wel was uitgekristalliseerd, is min of meer integraal overgenomen. Dus als je wilt weten waarom een-vrouw-onder-een-dakje vrede betekent, of waarom rijstveld-met-kracht het karakter voor man is, moeten we naar China. En daar hebben we gelukkig een fantastische gids voor.

De Zweedse sinologe Cecilia Lindquist volgt in haar boek ‘Het karakter van China’ het spoor naar de oorsprong van karakters in China. Dit is een geweldig boek!  Het gaat over landschap, geschiedenis, voeding, kleding, muziekinstumenten, dieren (inclusief fabeldieren als draken). En natuurlijk ook over wereldbeeld.
De prachtige coverfoto vertelt al een etymologische verhaal. Het karakter voor ‘berg’ is 山. Dat is niet het eerste beeld dat bij ons opkomt als symbool voor ‘berg’. Maar als je weet hoe Chinese bergen eruit zien (zie cover), en als weet hoe Chinezen hun bergen zagen (zie tekening), dan is het karakter voor ‘berg’ (in kalligrafie boven de tekening) niet meer zo vergezocht.

[Alle afbeeldingen zijn afkomstig uit het boek van Lindquist]

De proloog: ‘Doe het voor mij’

Het Japans heeft niet alleen geen lidwoorden , het doet ook niet aan enkelvoud en meervoud. Persoonsvormen bij werkwoorden: ook niet. Toch is het Japans (natuurlijk) niet een soort Klukkluk-taal. Het Japans heeft zijn eigen strategieën om te specificeren.
Bijvoorbeeld door het aangeven van richting. Als je in conversatie aan een (persoonsvormsloos) werkwoord een ‘hulpwerkwoord’ toevoegt dat richting aangeeft, wordt duidelijk dat het van de spreker naar de luisteraar gaat, of juist andersom. Alsof je er een soort pijltje bijzet: ‘van mij naar jou’, dan wel ‘van jou naar mij’. Die pijltjes zijn er in verschillende smaken: van de nederige vraag, tot een verleende gunst.
Zo’n pijltje geeft dus niet alleen aan of die richting heen, dan wel weer is, maar ook een richting van hoog naar laag: u in uw oneindige goedheid, ik in mijn oneindige goedheid. Je weet dus ook wie bij wie in het krijt staat, of hoe de verhoudingen liggen. Sterker nog: de karakters voor de hulpwerkwoorden voor ‘ik voor u’ en ‘u voor mij ( = alstublieft)’  zijn de karakters voor boven/omhoog en onder/omlaag.

En nu ter zake: de prolooog
Het is subtiele shit en meteen in de proloog liepen we al vast. Nu is een begin altijd lastig. Je moet als vertaler nog de toon vinden, je weet nog niet hoe de verhoudingen liggen, je kent de personages nog niet. Het wordt er niet makkelijker op als het eerste de beste personage iemand zonder gezicht is. Het goede nieuws: we zijn meteen in een Murakami-eske situatie beland. Maar dat betekent ook dat je (als vertaler) je houvast kwijt bent, want wat refereert hier nog aan de werkelijkheid? Dus extra opletten geblazen, en daar zit je dan met je vergrootglas. Geen detail blijft onbelicht. Gaat het om een spreekwoordelijk waas? Moet het gelukspoppetje zijn of een talisman? Of toch mascotte? De proloog blijft lang los zand, en we kunnen er niet de vinger op leggen of het nu aan Murakami ligt of aan ons…
En zoals bij Baantjer de goede invallen komen als hij in zijn stamkroeg aan de jenever zit, zo valt opeens het kwartje als we het vergrootglas opzij leggen. Er is ongelijkwaardigheid tussen de personages. Al de richtingpijltjes wijzen erop. In een realistischere setting zou het meteen duidelijk zijn geweest: meester-leerling, baas- werknemer, senior-junior, man-vrouw. Daar kunnen we nu aan toevoegen: ‘man zonder gezicht’-portretschilder.
Nu vallen de stukjes op zijn plaats. We laten het ene personage met ‘je’ spreken en het andere met ‘u’. Het vleugje gezelligheid, het onderons-achtige dat het gesprek aankleefde toen ze elkaar nog tutoyeerden,, is meteen verdwenen. Als een waas… En die portretschilder gaat nog heel hard zijn gelukspoppetje/mascotte/talisman nodig hebben.

De sound-track van ‘De moord op Commendatore’

Muziek speelt altijd een belangrijke rol in de romans van Haruki Murakami. Het is fantastisch, met Spotify en Youtube, dat ik in de meeste gevallen binnen drie a vier keer klikken weet hoe dat dan klinkt.
Hoe leuk zo het zijn, denk ik op zo’n moment, als in romans hyperkinkjes zaten, zodat je als lezer ook met een klik weet hoe Der Rosenkavalier klinkt, of Tony Bennett, of Thelonious Monks ‘Abide with me’. Dit is ongetwijfeld in een heel nabije toekomst mogelijk.
Wat er nu al wel bestaat: playlists op Spotify met Murakami ‘sound-tracks’.
Vul ‘Murakami playlist’ in bij het zoek-vak en je vindt soundtracks van onder meer ‘Norwegian Wood’, ‘Kafka aan het strand’, ‘De pelgrimsjaren van de kleurloze Tsukuru Tazaki’, ‘Spoetnikliefde’, van boeken over jazz die nog niet vertaald zijn, en jawel: er staat er ook al een playlist voor ‘De moord op Commendatore’ (Kishidanchogoroshi / Killing Commendatore)
(hij komt gek genoeg niet altijd tevoorschijn…)

Zo ziet de laatste stap eruit

Nog een laatste keer door de zetproef. Bij elke correctie die goed is overgenomen kunnen de plakkertjes eruit en wat een verrukkelijke aanblik is dat!
De plakkertjes zijn uit de tekst, maar er zijn nog genoeg raadsels over. Metaforen verschuiven in deel II, en voor wie er gevoelig voor is, schuift er van alles mee.
Nu weet iedereen die deel I heeft gelezen al hoe het afloopt: de portretschilder en zijn vrouw komen weer samen. Een roman van Murakami is nu eenmaal geen ‘plot-driven’ boek. Het is een boek dat je ondergaat. Het doel is niet het doel. Het gaat om de weg ernaartoe. Het gaat er niet om wat de hoofdpersonen ervaren, maar om wat de lezer ervaart.
Daarmee is Murakami een schrijver die goed bij mij past, want ik onthoud nooit plots. Ik onthoud scenes, of sferen, of situaties, of dilemma’s. Ik heb er erg van genoten om de weg door deel II een paar keer af te leggen, tot het laatste gele plakkertje (heel >>> heel ) aan toe.
(en nu weer terug naar mijn eigen – enigszins verschoven – universum…)

 

 

Metàfore: de kunst van de directe omweg

Deel II van De moord op Commendatore heeft ‘Metaforen verschuiven’ als ondertitel. Nu is Murakami vrij goed met metaforen (van afgelebberd cliché tot beeldspraken als een cryptogram) maar hier betreedt hij weer nieuw terrein.
Bij Metaforen denk ik onvermijdelijk aan de film Il Postino, waarin Pablo Neruda op een Italiaans eilandje belandt tijdens een periode van ballingschap en een verliefde postbode leert dichten (oneerbiedig samengevat).
Ik was op zoek naar een paar scenes over metaforen die me als memorabel zijn bijgebleven, en toen vond ik zowel een Italiaanse versie met ondertiteling, als een Engels nagesynchroniseerde.

Onvermijdelijk zijn Pablo en de postbode anders in het Engels dan in het Italiaans. Ze zeggen hetzelfde, en toch is het anders. Daarmee vormt het een vrij goede metafoor voor een vertaling. Een vertaler verwoordt hetzelfde, maar ontkomt niet aan de sfeer die ingebakken in zijn/haar eigen taal, en evenmin aan zijn/haar eigen stem.
Je zou een vertaler ook kunnen beschouwend als een uitvoerend kunstenaar, vergelijkbaar met en musicus of een acteur. Wat je gaat zeggen/ spelen staat wel min of meer vast, maar hoe vertolk je het? Murakami ‘klinkt’ anders in het Engels dan in het Nederlands of Deens. Twee Nederlandse vertalers zouden in principe een eigen ‘vertolking’ van dezelfde brontekst kunnen maken. Net zoals Chopin, Bach en Shakespeare en Pinter ook eindeloos worden geïnterpreteerd en geherinterpreteerd.
Hoe beter de partituur, hoe meer interpretaties die verdraagt. Denk ik.
Iemand die Bach zingt of speelt, kent de muziek heel anders dan iemand die naar die muziek luistert. Je kunt het ook eindeloos blijven spelen/zingen, omdat het zo rijk is.
Voor een vertaling geldt dat denk ik ook. Er zullen best mensen zijn die een boek een keer of wat herlezen, maar je bij elk woord afvragen wat er wordt bedoeld is een extreem vorm van ‘slow reading’ waar een vertaler, denk ik, wel uniek in is.
Tijdens het vertaalproces tijger ik een keer of vier, vijf door de tekst. Als dat de vierde en de vijfde keer opnieuw een avontuur is, dan is er volgens mijn sprake van een goede partituur. Een goed boek.
Het klinkt misschien een beetje raar, maar ik vind de romans van Murakami, en ook De moord op Commendatore, gastvrij. Er is veel ruimte om er veel in te lezen.

 

 

verregaande ridderlijkheid (of: vertalerswaanzin II)

Het viel me pas op toen ik het in het Japans zag:
Il commendatore is een ridder (騎士団長), en Der Rosenkavalier is ook een ridder: 薔薇 の騎士.
(Voor ogen die niet getraind zijn in het lezen van kanji/karakters: de eerste twee karakters van Commendatore zijn dezelfde als de laatste twee karakters van de Rosenkavalier.)
Zowel de ik-figuur als zijn flamboyante buurman Menshiki luisteren graag naar Der Rosenakavalier van Richard Strauss. En Tomohiko Amada, de schilder in wiens huis de hoofdpersoon tijdelijk woont, was blijkbaar ook een liefhebber, want de box met platen van Der Rosenkavalier staat in zijn huis. Dus dat zijn er hield blijkbaar ook van deze opera, want de box ervan staat in zijn huis. Bovendien heeft Tomohiko Amada het schilderij De moord op Commendatore geschilderd. We kunnen dus, naast een gerust spreken van een ridder-thema in deze roman.
Oeps! Nu opletten dat ik geen ridderreferenties over het hoofd zie…
Ja hoor: wat drinken ze in De moord op Commendatore, behalve koffie, thee en sake? Op momenten dat het erom spant gaat de fles Chivas Regal open! En wat is het Engelse woord voor ridderlijkheid? Precies: chivalry. (Even een misverstand uitsluiten: Chivas schrijf je in het Japans fonetisch, dus daar komen geen ridderkarakters in voor.) IK kan het niet nalaten om toch de etymologie na te trekken. Van Dale vraagt als ik ‘chivas’ invul of ik niet ‘chives’ (bieslook) bedoel. De site van Chivas vertelt over twee broers die de boerderij van hun vader verlieten om hun geluk te beproeven in Aberdeen.
Dit klinkt als een doodlopend spoor, maar toch sluit ik niet uit dat  de liefde voor Chivas Regal geen toeval is. Als er was gerookt in De moord op Commendatore, dan was er vast een Caballero opgestoken.