Categoriearchief: Groei het lekker zelf

Actualiteit, aanvullingen en invallen bij HET GROTE MOESTUINBOEK

Langer lol van een potje basilicum van de winkel

Verse kruiden staan vermoedelijk bij velen boven aan de lijst van moestuinverlangens. We kopen daarom allemaal regelmatig een potje met verse basilicum, knippen dat leeg, zetten het terug in de vensterbank  en hopen dan er weer nieuwe blaadjes aan zullen groeien.
Dat gebeurt nooit, en dat komt niet omdat je geen groene vingers hebt. Dat komt omdat er veel te veel basilicumplantjes bij elkaar in een te klein potje zitten. Die hebben gewoon veel te weinig ruimte en voeding om allemaal verder te groeien.
De oplossing is (dus) heel eenvoudig: haal die pol basilicum uit zijn pot. Zet hem in een teil of bak met water (dan is het namelijk stukken eenvoudiger om de pol uit elkaar te trekken dan wanneer je met een droge kluit te maken hebt). Terwijl de basilicum zich volzuigt, ga jij op zoek naar 4 potjes en wat tuinaarde of potgrond. Vervolgens trek je de natte kluit uit elkaar in 5 stukken. Mik op niet meer dan vijf plantjes  per potje.

Zet  deze kleine kluitjes in de potjes en vul die aan met potgrond/tuinaarde. Nu heb je vijf potten met basicilumplanten die vermoedelijk allemaal uit zullen lopen. Ah! Pesto, pasta, pistou, caprese: de toekomst is verrukkelijk.


[Meer info over basilicum vind je in HET GROTE MOESTUINIERBOEK op p. 61, meer over planten stekken en vermeerderen vind je op p. 148]

Vragen of suggesties: elbrich@elbrichfennema.nl.

 

groei het lekker zelf: vaste kruiden

In het gewone taalgebruik is ‘los’ het tegenovergestelde van ‘vast’. Misschien geldt dat ook nog voor ‘onvast’ Maar het tegenovergestelde van een ‘vaste plant’ is niet een ‘losse plant’,  of een ‘onvaste plant’. In tuinjargon maak je onderscheid tussen ‘vaste planten’ en ‘eenjarige’. Een eenjarige is een plant die binnen één seizoen opkomt, bloeit, zaad maakt en doodgaat. Hopelijk komt volgend jaar uit dat zaad weer nageslacht op, maar dat is een nieuwe generatie eenjarigen. Het is niet dezelfde plant. Vaste planten daarentegen komen jaar na jaar weer terug op dezelfde plek. In de winter zit vaak alleen nog leven in de wortelstelsels en is bovengronds niets meer van de plant te zien, maar in het voorjaar loopt hij dan weer uit, op dezelfde plek als vorig jaar.
Vaste planten zijn (dus) ontzettend makkelijk. Vaste kruiden al helemaal! Je hebt van kruiden niet veel nodig, dus al ruim je maar een klein stukje van je tuin of je vensterbank in voor kruiden, dan heb je al een enorm rendement. (ja, ook in financiele zin, want het onnozelste zakje met bieslook is al net zo duur als een kilo uien, terwijl je best veel ruimte nodig hebt om een kilo uien te telen…)

Top vijf vaste kruiden voor je kruidentuin:
Bieslook: een topplant omdat hij heel snel weer aangroeit en niet gaat woekeren (foto bovenaan).
Munt: ook een topplant, vooral omdat hij eigenlijk niet dood te krijgen is. Mogelijk nadeel: hij gaat je hele tuin door wandelen. Dat kun je ondervangen door hem in een pot te telen.
Rozemarijn: zie de blogpost van gisteren
Bladvenkel: lekker voor in de thee, lekker voor in de soep, lekker voor door de salade. Het is ongeveer de eerste plant die na de winter weer opkomt, en in een milde winter als deze is hij in mijn tuin helemaal nooit weggeweest (tweede foto).
Zuring: in Nederland ondergewaardeerd kruid, maar o, o wat lekker in salades (geen azijn meer nodig, als die zure blaadjes er doorheen zitten), in omeletten, in de soep.
In de bonus: Salie. Ook niet stuk te krijgen en een intense smaak. In thee, in marinades, in sauzen. Leuke bloemen ook.

[meer info over over bieslook: p 66  van Het grote moestuinierboek, meer info over bladvenkel: p. 72, meer info over munt: p. 90. Meer info over zuring: raadpleeg google.]

Heb je vragen of suggesties: elbrich@elbrichfennema.nl.

 

 

 

groei het lekker zelf: rozemarijn

Als je toch bij het tuincentrum staat, let dan ook eens op andere zaken dan kleur. Bijvoorbeeld geur. Of eetbaarheid. Er zijn gelukkig een heleboel planten die zowel mooi als lekker zijn. Een de aanvoerders van dit rijtje is rozemarijn. Het is een plant met niets dan deugden: ze blijft het hele jaar groen, ze ruikt heerlijk, je kunt rozemarijn bij je aardappels-uit-de-oven doen, er thee van zetten, bouillon van trekken, er koekjes van bakken. En niet te vergeten: de rozemarijnblaadjes zijn geweldig als oortjes op een boterlammetje.
Ook niet onbelangrijk: rozemarijn is makkelijk. Zijn roots liggen in de buurt van de Middellandse zee en dat betekent dat hij gewend is aan droge omstandigheden. Hij stelt het zeer op prijs als je het nooit water geeft. Dat overleeft rozemarijn moeiteloos. Sterker nog, dat vindt-ie fijn. Zet hem op een zonnig, goed gedraineerd plekje. Plant er meteen een paar andere mediterrane vrienden bij, zoals lavendel.
Oogst er van in een tempo dat de plant aan kan. Dat vergt een beetje inlevingsvermogen in de plant. Dus: als je hem net hebt aangeschaft en in je tuin hebt gezet, dan heeft hij energie nodig om zich te vestigen op zijn nieuwe stek. Dus wees dan niet te inhalig en pluk alleen af en toe een topje. Als je plant eenmaal aan de groei is, dan krijg je vanzelf een beeld hoeveel oogst je plant ongeveer zal verdragen.
Met een beetje geluk kun je tegen de zomer hele takjes afknippen, daar de blaadjes van afrissen voor over je aardappeltjes en de steeltjes kun je dan benutten als spies om paprika’s en champignons aan te rijgen voor op je barbecue.
Rozemarijn is ook goed in te zetten om zijn kwaliteiten als botanica, bijvoorbeeld in azijn, olie of drank.
En tegen kerst heb je geurige groene takjes voor je kerststukjes.

 

[meer info over rozemarijn vind je op p. 105 van Het grote moestuinierboek]

Reactie, vragen en suggesties zijn welkom op elbrich@elbrichfennema.nl

 

groei het lekker zelf: waar zijn we zonder zaad?

We verkeren in de luxueuze positie dat we (nog altijd) zaad van allerlei  groenten en kruiden kunnen kopen bij tuincentra en zaadhandels, of bestellen via internet. Dat is fantastisch, want zonder zaad geen moestuin. Of een heel beperkt moestuintje…
Het is moeilijk voor te stellen hoe cruciaal zaad is, maar de film ‘The Martian’ maakt het wel vrij indringend duidelijk. In deze film crash Matt Damon op Mars en moet daar vier jaar zien te overleven. Zolang duurt het namelijk voor een volgende ruimtemissie hem op kan halen. Lukt het Matt om zijn aardappelen en boontjes tot ontkiemen te krijgen? Het is in één klap duidelijk dat we nergens zijn zonder zaad, en zonder kennis van het telen van planten.
Oudere tuinboeken besteden veel aandacht aan hoe je je eigen zaad weer kunt winnen aan het eind van de groeicyclus. Als je dat niet lukte, had je simpelweg geen zaad voor een volgend seizoen. Het was (dus) ook een kunst die de meeste tuiniers beheersten.
In huidige tuinboeken lees je daar heel weinig over. In mijn eigen boek ook niet trouwens, en dat hiaat wil ik te zijner tijd graag opvullen. Ik heb er echter zelf ook nauwelijks ervaring mee. Het lukt (bijna) vanzelf met bonen, koriander en oost Indische kers, maar daar houd mijn kennis ongeveer op. Daar wil ik me dringend in gaan verdiepen.
Eén gedacht wil ik je wel vast meegeven bij de soorten zaad die je gaat kiezen is om als het ook maar enigszins kan te kiezen voor planten die te zijner tijd zelf zaad voortbrengen. Dat klinkt logischer dan het is, maar komkommers hebben tegenwoordig vaak geen zaadlijsten. Dan hebben ze namelijk lekker veel vruchtvlees. Of wat dacht je van pitloze druiven? Fijn om die pitjes niet tussen je tanden uit te hoeven peuteren.  Maar ik vind dat het indruist tegen de kringloop van de zich vernieuwende natuur. Gelukkig zijn er nog altijd druiven met pit en zaadvormende komkommers.
Matt Damon zou op Mars ook behoorlijk in de puree zijn gekomen als hij hybride zaadjes bij zich had gehad, of zaad van Monsanto. Hybride zaad (te herkennen aan de toevoeging F1 op het zaadzakje) produceert onvoorspelbaar nageslacht, dat volstrekt andere eigenschappen kan hebben dan de ouders. Monsanto-zaad is in de meeste gevallen zo gemanipuleerd dat het geen nageslacht vormt. Voor de eenvoudige reden dat boeren dan elk jaar weer opnieuw op Monsanto zijn aangewezen voor hun zaad.
Dus ga snel op zoek naar goede zaden van de groente en kruiden en vruchten waar je van houdt. Ik ben fan van De Bolster en van Vreeken’s zaden. Misschien lukt het je je eigen zaden te winnen aan het eind van het seizoen. Niet zozeer om goed voorbereid te zijn voor het geval dat je strandt op Mars, maar omdat je die zaden bijvoorbeeld kunt uitdelen. Zo maak je deel uit van de cyclus van overvloed van de natuur.

[Meer info over zaad en zaaien vind je in Het grote moestuinierboek op p. 142.]

 

groei het lekker zelf: preikontjes aka spelen met je eten

 

 

 

Terwijl je nog wacht tot je zaadbestelling arriveert in de post, kun je al eens een verlekkerde blik werpen op je GFT-afval voor moesmateriaal. Vermoedelijk ben je deze dagen zelf aan het koken geslagen (restaurants zijn dicht en je hebt opeens tijd), dus gerede kans dat je een kontje prei hebt weggegooid. Of een topje biet. Of een stukje selderijknol. Aardappelschil. Kontje venkelknol. Allemaal kandidaten die zich lenen voor een doorstart.
Tip: doe dit samen met kinderen!
Heb je kandidaten gevonden met doorstartpotentie, leg ze dan in een bakje met een bodempje water. Het risico van een bodempje is dat het na een dag of twee is verdampt, dus elke dag weer een beetje water erbij doen. Doe je het samen met de kids, dan kun je die deze verantwoordelijke taak toevertrouwen. Het is verrassend hoe snel zo’n groenterestje pogingen doet tot nieuw leven. De meest levenslustige van al (in mijn ervaring tot nu toe) is het preikontje. Daarvan zie je binnen 2 a 3 dagen de eerste worteltjes ontstaan (foto links). ALs de worteltjes een centimeter of zo lang zijn, kun je je pretkontje verhuizen naar een potje met aarde of potgrond. Nu kun je helaas de worteltjes niet meer zien groeien, maar er gebeurt een ander mirakel: de prei rekt zich uit als een antenne.
Hoe groter je prei wordt, hoe meer dorst hij krijgt. Ja, natuurlijk kun je prei opeten! Of je kunt hem overplanten naar ergens in je tuin en kijken hoe ver hij het schopt.
Je kunt hetzelfde doen met een kapje van een knolsederij. je hebt er iets meer geduld voor nodig. Maar dan voltrekt zich een wonder: wat er de ene week nog uitziet als een bord vergeten spaghetti ziet er een week later uit als een onbewoond eilandje met één boom erop (nou, ja, in miniatuur dan).
Ook deze doorgestarte selderij kun je in een pot met aarde zetten, en voor je het weet kun je de blaadjes ervan over je soep strooien.

[meer over ‘Spelen met je eten’ op pagina 147 en 149 van Het grote moestuinierboek]

groei het lekker zelf: begin met plugplantjes van sla en rucola

eikenbladsla

pootschepje

romeinse bindsla

Met een beetje geluk is je tuincentrum vandaag open, en met nog een beetje meer geluk heeft je tuincentrum ook zogeheten ‘plugplantjes’ staan. Dat zijn prille groentenplantjes die geteeld zijn in een zogeheten plugje: een samengeperst blokje potgrond van een paar kubieke centimeter. De meest courante soorten zijn sla, andijvie, boerenkool, rucola. Deze plugplantjes zijn doorgaans goedkoop. Met een investering van een paar euro’s is je eetbare achtertuin uit de startblokken. Geen ongewis gedoe met zaadjes, voorzaaien en wachten tot er iets opkomt.
Er is overigens wel iets te zeggen voor zelf voorzaaien: de keus is oneindig veel groter dan het assortiment aan plugplantjes. Als je het nu zaait, ziet het er over 2 weken zo uit:
Ook een voordeel van zelf zaaien: je kunt over biologische  sla beschikken. Plugplantjes zijn doorgaans overgeschoten restanten van de professionele teelt. Ze zijn zelden van biologische kwaliteit.  Maar voor de beginnende tuinier zonder ervaring en met haast zijn plugplantjes perfect.

 

Je kunt je plugplantjes meteen in je tuin in de volle grond zetten. De standaard plantafstand is 30 bij 30 centimeter, maar ik plant ze altijd veel dichter op elkaar. Zodra ze tegen elkaar aan groeien, oogst je er eentje. Dat is misschien geen supermarkt-size krop, maar dat geeft niets.
Je kunt je plugplantjes ook eerst in een potje met potaarde overplanten, zodat ze nog een beetje groter en sterker zijn voor ze de volle grond in gaan. Daarmee verhoog je de overlevingskansen van sla aanzienlijk, want slakken zijn dol op prille slablaadjes. Zet je ze wel meteen in de volle grond, dan kun je verkruimelde eierschalen rond je prille slaplantjes strooien om de slakken te ontmoedigen.
Rucola is iets minder gevoelig voor slakken. En rucola heeft nog een ander voordeel: je kunt er meerdere malen van oogsten. Zolang je de rucolablaadjes steeds een paar centimeter boven de grond afsnijdt, zal de plant weer uitlopen.

[In Het grote moestuinierboek vind je meer info over sla op pagina 107 en meer info over slakken op pagina 110.]

 

Groei het lekker zelf: sjalotten en knoflook

 

 

 

 

‘We gaan niet hamsteren, we gaan Het grote moestuinierboek lezen!’
Aldus Dolf Jansen in Spijkers met koppen op zaterdag 14 maart. Alleen: het boek komt pas dinsdag uit. Dus hier vast de eerste tips voor wie meteen uit de startblokken wil:

Toen ik Het grote moestuinierboek schreef, had ik daar vooral opgewekte gedachten en bedoelingen bij: mensen enthousiasmeren om (weer) in verbinding te komen met de natuur, de seizoenen, kringlopen, met hun voedsel, met smaak.
Natuurlijk ben ik me ervan bewust dat het telen van je eigen voedsel op de keper beschouwd een basic skill set for survival is. De alleronderste bottomline is immers dat je geld niet kunt eten. Als puntje bij paaltje komt, heb je meer aan groene vingers dan een Harvard-diploma. Of om het even wat voor diploma, trouwens.
Door de Corona-crisis komt het onderwerp ‘eetbare achtertuin’ opeens in een heel ander daglicht te staan. We worden op onszelf teruggeworpen, terwijl we tegelijkertijd met de hele wereld in eenzelfde schuitje zitten. ‘Live local, grow local, eat local’ is plots geen gezellig bumpersticker-streven meer, maar de realiteit.
Het goede nieuws is dat het komende week mooi weer is, dat iedereen thuis zit met tijd om handen, dus dat is een uitstekende uitgangssituatie om te beginnen aan een eetbare achtertuin.
De eerste hindernis is vermoedelijk dat een gemiddeld mens geen zaad in huis heeft van sla, tomaten, courgettes, laat staan van snijbiet, nieuw zeelandse spinazie of slangenradijs. Toch kun je vermoedelijk meteen al iets doen zonder dat je daarvoor de deur uit hoeft: duik in de aardappelzak en haal daar de kleinste aardappeltjes uit, of exemplaren die al beginnen uit te lopen (ze maken slierten). Vervolgens volg je de instructies in de blog van vorige week.
Heb je nog sjalotten liggen, peuter zo’n kluster dan uit elkaar en poot de afzonderlijke bolletjes in de grond. Niet al te diep: het uitgedroogde steeltje mag net boven de grond uit piepen. Plant ze op ongeveer 15 cm afstand van elkaar. Zaai er (als je zaad hebt) gerust iets anders tussen, liefst iets dat snel klaar is: rucola bijvoorbeeld. Of koriander.
Hetzelfde kun je doen met je knoflook: peuter hem uit elkaar en plant de teentjes. Deze mogen wat dieper: tien centimeter onder grond, vanaf onderkant van de teen. Het helpt als je de goede kant onder doet (puntje boven, stompe kant onder), maar als je je vergist is er geen man overboord: de teen weet zelf welke kant hij op wil groeien, en doet dat desnoods met een bocht. Ook hier geldt: 15 cm uit elkaar en plant er vooral gerust nog iets tussen.
Met een beetje geluk heb je korianderzaadjes in je kruidenla liggen. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is koriander helemaal geen exotisch kruid, ook al staat er op het zakje van de grootgrutter iets als: ‘herkomst Kenia (of Egypte)’. Koriander doet het prima in een Hollandse achtertuin. Het is zelfs winterhard.
Ook al is de koriander zelf van harte bereid, een aantal zaken kunnen roet in het eten gooien. Het kan zijn dat de korianderzaadjes al zo lang in je kruidenlaatje liggen dat ze hun kiemkracht deels of geheel zijn verloren. Het kan ook zijn dat je zaadjes zijn ‘doorstraald’. Dat is een behandeling met gammastraling (het is geen radioactieve behandeling) die micro-organismen (bacteriën en insecten) doodt. Maar vaak ook de vruchtbaarheid van zaden tenietdoet. Als je korianderzaadjes van biologische herkomst zijn, maak je goede kans dat ze deze behandeling zijn ontkomen.
Heb je geen tuin, dan kun je zowel sjalotten als knoflook als aardappelen als koriander prima in een pot telen.
Koop goede, turfvrije potgrond (bv. van Bio-Kultura) voor in je potten. En bestel ook meteen zaadjes bij De Bolster of Vreeken. Kijk zeker ook bij het assortiment kiemgroenten. Want dan heb je binnen 10 dagen a 2 weken al je eerste oogst aan alfalfa, mosterdkers of taugé.

ps: knoflook poten kan prima in het voorjaar, maar als je de kans hebt om het al in november te doen, dan worden ze veel dikker.
ps2: je kunt natuurlijk wachten tot je knoflook klaar is, zo tegen juli, als zijn loof verdort. Maar je kunt ook het blad van je knoflookplant gebruiken: net zo intens lokig als de bol.

[Meer info over knoflook vind je in Het grote moestuinierboek op pagina 83.]

gecontroleerde aardappelteelt

Aardappels telen, gewoon een paar stuks in je eigen achtertuin, is geweldig bevredigend. Voor de lol van de wonderbaarlijke vermenigvuldiging, het onbeschrijflijke genoegen van die smakelijke schat in een flinterdunne vliesje. Niet schillen natuurlijk! Schoonspoelen, koken, klontje boter erbij, paar ringetjes bieslook. Ah!
Maar zover is het nog niet. Deze week – met bovenstaande visoen op mijn netvlies – heb ik een paar uitgelopen piepertjes uit de groentela gepoot in een boodschappentas waarvan ik de rand een paar keer heb opgevouwen. Ik zou ze in de volle grond kunnen poten, maar er zijn een paar dingen die daartegen pleiten:
– de kans dat ik ze kwijt raak / over het hoofd zie / vergeet waar ik ze heb gepoot. Ik tuinier namelijk als een eekhoorn: ik verstop overal van alles, vergeet minstens de helft, en laat me vervolgens verrassen door wat er opkomt. Maar ik wil niet dat deze aardappels onder de radar schieten.
– Een aardappelplant is best volumineus en niet erg decoratief. Een plastic boodschappentas is ook niet erg decoratief, maar ik kan ermee schuiven.
– Als ik de aardappels wil oogsten, is het oneindig veel eenvoudiger om een boodschappentas om te kieperen dan om mijn schatten uit de volle grond op te moeten graven, met alle schade aan buurplanten van dien.
-Bijkomend voordeel van een boodschappentas met omgevouwen rand: je kunt, naarmate de planten groeien, steeds een laag aarde toevoegen. Doe je dat in de volle grond, dan heet dat aanaarden. Het is een techniek om de aardappeloogst te verhogen, al is het maar door te voorkomen dat er aardappels boven de grond piepen, zon op hun velletje krijgen en groene vlekken krijgen die niet gezond zijn. Maar er zit een grens aan hoe hoog je zo’n bult rond je aardappelplant kunt maken. In een boodschappentas kun je doorgaan met aanaarden tot de randen helemaal zijn uitgerold en de hele tas volzit.
– Nadeel van deze boodschappenstrategie: hij is van plastic. Een boodschappentas van linnen zou beter zijn. Maar als het niet kan zoals het moet ,dan moet het zoals het kan, zou mijn vader zeggen.
– Nog een nadeel: ik moet dit project water geven als het niet regent, terwijl planten in de volle grond zich wel zullen redden zonder mijn zorg.

[5 maart 2020]