Auteursarchief: elbrichf

De ideale tuin: wieden is oogsten

Ik heb een vrij hoge tolerantie voor onkruid. Maar er zijn grenzen. Eén zo’n grens is brandnetel. Eigenlijk kan ik die ook nog wel goed hebben, want hij heeft zo zijn kwaliteiten. Als waardplant bijvoorbeeld. En hij houdt de bodem bij elkaar. Maar als hij helemaal vooraan in de tuin, in de meest in het oog lopende border, de kop opsteekt, dan wil ik daar toch voorrang geven aan de Chinese bieslook en de botanische tulpjes tussen het speenkruid.
Vandaag was het zover: in een lekker sappig stadium moest de brandnetel het veld ruimen. Maar natuurlijk niet richting composthoop, Richting keuken. Zeker in het vroege voorjaar, in het gat tussen de laatste wintergroenten en de eerste radijsjes en erwtjes, moet je dankbaar zijn voor elk eetbaar stukje groen in/uit de tuin.
Hetzelfde geldt voor hopscheuten. Die hop heb ik nota bene zelf geplant en hij heeft keurig gedaan wat ik van hem verwachte: elk jaar de pergola beklommen. Maar inmiddels is de blauwe regen ook aangeslagen en nu heb ik de diensten van de hop niet meer nodig. Maar die laat zich niet zo makkelijk terugdringen. Een groot deel van zijn wortelstel heb ik vorig jaar weten te verwijderen, maar een hardnekkige stronk rest nog. En daar lopen nu sappige scheuten uit. Zonder pardon ruk ik ze er allemaal af. ALs ik dat dit voorjaar goed volhoudt, put ik die wortelstok wellicht uit. En heb ik de komende weken een exclusief ingrediënt voor in mijn omelet. Lekker hoor, samen met die brandnetel!

on tour

Het was vorige week al zo’n feestje bij boekhandel De Vries in Haarlem, en gisteren bij Blokker in Heemstede zelfs volgeboekt!
Het is heel leuk om ‘on tour’ te zijn. Heerlijk om-  na een jaar tussen de woordenboeken op zolder – onder de mensen te zijn. En mijn fascinaties, ontdekkingen, vragen, worstelingen te kunnen delen met een supergeïnteresseerd publiek.
Jessica Nash, de hoofdredacteur van uit uitgeverij AtlasContact die mij op deze avonden interviewt, heeft een stapel kaartjes met vragen, maar we zijn nog steeds niet aan de laatste vragen toegekomen.
Bij Blokker was ook Ype de Boer, filosoof en auteur van het boek ‘Murakami en het gespleten leven’.  Dat leverde natuurlijk weer heel nieuwe invalshoeken op. Iedereen was Ype alleen al dankbaar voor zijn heldere uitleg over filosofie en literatuur (het verschil daartussen, en wat ze voor elkaar kunnen betekenen). En hij gaf heldere ‘leesinstructies’, om nóg meer uit de boeken van Murakami te halen. Over vrijheid, over verantwoordelijkheid. Over transformatie.

de verbeeldingskracht aan het werk

Het is me al van verschillende kanten gevraagd: of ik weet of Murakami zelf ook schildert. De aanleiding voor de vraag is dat zijn beschrijving van het schilderproces zo overtuigend en accuraat is.
Die vraag nam ik mee toen ik Haruki Murakami bezocht in Tokio.
Nee, hij schildert niet zelf, legde hij uit. Hij heeft wel een ‘handboek schilderen’ geraadpleegd voor technische aspecten. De rest is ontsproten aan zijn voorstellingsvermogen.
Nog geen drie dagen later zat ik oude veranda van de steentuin van Ryoanji, een tempelcomplex in Kyoto. Het is de beroemdste steentuin ter wereld. Maar als je je omdraait, staan daar op de schuifdeuren schitterende inkttekeningen van twee draken : een stijgende draak en een dalende draak.
De schilder kan niet hebben geweten hoe een draak eruit zag. Maar alle elementen die refereren aan factoren die wij mensenkinderen kennen, kon hij natuurlijk wel inpassen. En dat heeft hij gedaan. De zwaartekracht, de klauwen, de rook, de lenigheid van de draak: met een fabeldier is in principe alles mogelijk. En toch en toch ontleent de tekening zijn overtuigingskracht aan de ‘realistische’ weergave van een niet bestaand wezen.
Dat deed me natuurlijk denken aan wat Murakami uithaalt in zijn romans. En aan de kracht van     het voorstellingsvermogen.
(Ook fijn: de draak oogt best vriendelijk. Eerder nieuwsgierig dan angstaanjagend. Maar dat zegt misschien weer meer over het wezen van de kunstenaar dan over de draak…)

Een droom van een dag: ‘zeg maar Haruki’

Om een of andere reden was het alleen maar logisch dat we ’s ochtends langs een restaurantje liepen dat ‘Don Giovanni’ heette. Of dat in de Seven Eleven waar we geld opnamen ‘Obladi-oblada’ draaide. Of dat we een ‘man zonder gezicht’ zagen zitten: iemand met een hoed op die licht voorovergebogen zat een een wit mondmasker ophad.
Ondertussen had ik lichte buikpijn vanwege mijn afspraak met Haruki Murakami. The one and only. De man in wiens hoofd ik bijna een jaar heb vertoefd. De man die, volgens de verhalen,  doorgaans niemand wil zien. Behalve zijn vertalers!
De serene tuin van het Nezu-museum was een goede omgeving om de zenuwen wat te doen bedaren. En me in Murakami te verplaatsen: hoe leuk is het als iedereen nerveus wordt van een het vooruitzicht van een ontmoeting met jou?  We zijn gewoon ‘vertalers onder elkaar’, hield ik mezelf voor. Collega’s eigenlijk.
Het kantoor van HM waar ik word ontvangen door zijn assistente ademt ‘doe maar gewoon’. De schoenen gaan uit, de slippers gaan aan. Tafel met drie stoelen, boekenkasten rondom. Ik hannes nog met mijn tas en mijn kadootjes en struikel voor mijn gevoel de ontmoeting met Murakami in. Maar alles gaat goed. Alles is goed, Murakami doet niet aan koetjes en kalfjes. Geen babbeltje over de 30 centimeter sneeuw die aan het begin van de week viel in Tokio.
Het helpt dat ik een exemplaar van deel II van De moord op Commendatore bij me heb. En ik zeg er maar meteen bij dat deel II in de eerste week dat het uitkwam meteen op 6 stond van de boekentoptien. En dat er 1600 mensen afkwamen op het Murakami-festival op de SS Rotterdam ter gelegenheid van het uitkomen van deel II van De Moord op Commendatore. Hoe komt het, vraagt hij dat we in Nederland het boek zo snel vertaald hebben? Er is al een Koreaanse en een Chinese vertaling uit, maar de Nederlandse vertaling is de eerste Moord op Commendatore in een Westerse (karakterloze)  taal. Het komt doordat we het met zijn tweeën hebben gedaan, Luk en ik, antwoord ik.
We hebben het meteen over muziek. Een CD meenemen als kadootjes was een goed idee.
We hebben het over lezers. Over Disney. Over vertalen. Hij laat zijn vertalers de ruimte. Hij vermaakt zich over de vele manieren waarop zijn werk wordt geïnterpreteerd. We hebben het over drank. De whisky-liefhebber blijkt het liefst Bloody Mary te drinken.
Het voelt vreemd om de ontmoeting ‘vertrouwd’ te noemen. En toch voelde het zo. Ik denk dat ik hem ken. Ik denk dat hij mij kent. Dat denken heel veel lezers. Dat heb ik onder andere opgestoken van het weekend op de SS Rotterdam. Ik denk dat dat betekent dat Murakami vooral een heel menselijke schrijver is. Fijn gezelschap,
Als we afscheid hebben genomen, realiseer ik me dat ik niets heb om onze ontmoeting mee te staven. Geen selfie, geen foto, geen handtekening. Ik fotografeer het bordje op zijn brievenbus en dat slaat natuurlijk helemaal nergens op. ‘Als je moet kiezen tussen iets dat tastbaar is en wat niet tastbaar is, kies dan hetgeen dat niet tastbaar is,’  zegt een hoofdpersoon in een van zijn korte verhalen in ‘Blinde wilg, slapende vrouw’. Ik koester het niet tastbare.

Een taal leren die vaak hetzelfde klinkt

Het is vijfentwintig jaar geleden dat Tjalling – toen twee jaar oud – van Japan naar Nederland terug verhuisde.Tot dat moment groeide hij perfect tweetalig op: Nederlands thuis met papa en mama, Japans op de creche met zijn drie juffen en alle klasgenootjes. Zijn Japans stokte uiteraard onmiddellijk bij terugkeer.
Maar nu we hem vijfentwintig jaar later meenemen naar zijn geboorteland pakt hij de draad weer op. Niet dat hij zich nog iets herinnert, maar zijn uitspraak van alle nieuwe Japanse woorden is alvast perfect. We beginnen waar het vijfentwintig jaar geleden stopte: wijzen naar de ogen: ‘me’. de neus: Hana. Wijzen naar de mond: kuchi. En de oren: mimi. trein: densha. dankjewel: domo. Alsjeblieft: dozo. Waar? Doko?

Dag drie dwalen we door de tuin van het Gotoh-museum. De tuinman excuseert zich dat er in deze tijd van het jaar niet veel te zien is: geen kersenbloesem, geen verkleurende herfstbladeren. Wij vinden de tuin nog steeds prachtig, Er zijn tuinmannen aan het werk die met nagelschaartjes de pijnboomtakken onderhanden nemen. Er zijn bomen ingepakt met stro tegen de winterkou die er nu surrealistisch uitzien. De gestreepte bamboe komt prachtig tot zijn recht.
Er bloeit trouwens wel iets: twee goudvis-cammellia’s, met wonderbaarlijk gevormde blaadjes die wel wat weg hebben van een goudvisstaart. Een rode en een witte. En er bloeit een mitsumata: nog nooit gezien, nog nooit van gehoord. Van de bast wordt washi gemaakt: Japans papier. Het is een naaktbloeier De knoppen zijn fascinerend mooi. De tuinman legt het allemaal uit. Het hele gesprek speelt zich af tussen de tuinman en mij. In het Japans.

Na afloop vraagt Tjalling of het geurige bloemen zijn. Huh? Hoezo? ‘Nou, hij zei toch iets over “hana”?’. Ik was straalverbaasd dat hij überhaupt een woord had opgepikt uit onze conversatie.    Maar hij heeft pech: het Japans heeft maar weinig onderscheidende klanken, en als gevolg daarvan enorm veel homonieme: woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen. Hana betekent behalve ‘neus’ ook ‘bloem’.

Hij herinnerde me aan mijn eigen eerste schreden op het pad van de Japanse taal. Je probeert de hele tijd pap te koken van wat je hoort en het te verbinden aan iets wat je weet.
Eigenlijk doen we dat natuurlijk altijd als we een taal horen of lezen. Ook als we ons vergissen of iets verkeerd begrijpen of verstaan, duwen we en trekken we wat om er pap van te koken. Gek genoeg lukt dat verrassend vaak. Wie weet, is wat we voor conversatie houden eigenlijk altijd een welwillende opeenstapeling van grotere of kleinere misverstanden….

wakker worden met gezicht op de berg Fuji

Soms (vaak) zegt en beeld meer dan duizend worden.
De eerste dag dat we in Tokio rondliepen (gisteren) was compleet onwerkelijk. Soba eten hielp, boodschappen doen hielp, ritje met de ondergrondse hielp om tot ons door te laten dringen dat we (na 25 jaar) weer in Tokio waren. Maar wakker worden met uitzicht op de berg Fuji helpt geweldig om het besef in te laten zakken dat we echt in Japan zijn.

Meneer Smalput in Nieuwloofwijk

Voor onderweg in het vliegtuig had ik Het verdronken land van Detlev van Heest meegenomen.     Zijn vorige boek De verzopen katten en de Hollander vond ik geweldig en hier pakt hij de draad weer op als hij terugkeert naar zijn oude wijkje waar hij ooit woonde, bij zijn oude buren en vrienden.
Behalve dat hij zijn oog richt op het kleine en licht tot zeer bevreemdende, doet hij twee dingen met taal die geweldig goed uitpakken: de plaatsen die hij bezoekt en de buren die hij treft hebben vertaalde namen. Hij reist langs Geluksberg, herinnert zich meneer Smalput, mevrouw Van Tricht.  Alles wat geschreven is met een karakter heeft nu eenmaal een betekenis en laat zich (dus) vertalen. Het effect is dat het zijn boek ‘ontJapanst’. Zijn hoofdpersonen  zijn niet noodzakelijk meer Japans. Het zijn ‘gewoon’ mensen geworden, met onhebbelijkheden, zorgen om hun kinderen, ziektes, geknakte ambities, ontroerende kadootjes.
Soms doet hij het tegenovergestelde: de hond Dzjiro en zijn vriend Dzjoen hebben juist alleen een klank, en zo uitgeschreven dat het Japanse er ook enigszins uit weg valt. Het werkt geweldig.
Japan  komt er trouwens heus wel onmiskenbaar in naar voren in de vorm van een tsunami en een kernramp….