Auteursarchief: elbrichf

Een droom van een dag: ‘zeg maar Haruki’

Om een of andere reden was het alleen maar logisch dat we ’s ochtends langs een restaurantje liepen dat ‘Don Giovanni’ heette. Of dat in de Seven Eleven waar we geld opnamen ‘Obladi-oblada’ draaide. Of dat we een ‘man zonder gezicht’ zagen zitten: iemand met een hoed op die licht voorovergebogen zat een een wit mondmasker ophad.
Ondertussen had ik lichte buikpijn vanwege mijn afspraak met Haruki Murakami. The one and only. De man in wiens hoofd ik bijna een jaar heb vertoefd. De man die, volgens de verhalen,  doorgaans niemand wil zien. Behalve zijn vertalers!
De serene tuin van het Nezu-museum was een goede omgeving om de zenuwen wat te doen bedaren. En me in Murakami te verplaatsen: hoe leuk is het als iedereen nerveus wordt van een het vooruitzicht van een ontmoeting met jou?  We zijn gewoon ‘vertalers onder elkaar’, hield ik mezelf voor. Collega’s eigenlijk.
Het kantoor van HM waar ik word ontvangen door zijn assistente ademt ‘doe maar gewoon’. De schoenen gaan uit, de slippers gaan aan. Tafel met drie stoelen, boekenkasten rondom. Ik hannes nog met mijn tas en mijn kadootjes en struikel voor mijn gevoel de ontmoeting met Murakami in. Maar alles gaat goed. Alles is goed, Murakami doet niet aan koetjes en kalfjes. Geen babbeltje over de 30 centimeter sneeuw die aan het begin van de week viel in Tokio.
Het helpt dat ik een exemplaar van deel II van De moord op Commendatore bij me heb. En ik zeg er maar meteen bij dat deel II in de eerste week dat het uitkwam meteen op 6 stond van de boekentoptien. En dat er 1600 mensen afkwamen op het Murakami-festival op de SS Rotterdam ter gelegenheid van het uitkomen van deel II van De Moord op Commendatore. Hoe komt het, vraagt hij dat we in Nederland het boek zo snel vertaald hebben? Er is al een Koreaanse en een Chinese vertaling uit, maar de Nederlandse vertaling is de eerste Moord op Commendatore in een Westerse (karakterloze)  taal. Het komt doordat we het met zijn tweeën hebben gedaan, Luk en ik, antwoord ik.
We hebben het meteen over muziek. Een CD meenemen als kadootjes was een goed idee.
We hebben het over lezers. Over Disney. Over vertalen. Hij laat zijn vertalers de ruimte. Hij vermaakt zich over de vele manieren waarop zijn werk wordt geïnterpreteerd. We hebben het over drank. De whisky-liefhebber blijkt het liefst Bloody Mary te drinken.
Het voelt vreemd om de ontmoeting ‘vertrouwd’ te noemen. En toch voelde het zo. Ik denk dat ik hem ken. Ik denk dat hij mij kent. Dat denken heel veel lezers. Dat heb ik onder andere opgestoken van het weekend op de SS Rotterdam. Ik denk dat dat betekent dat Murakami vooral een heel menselijke schrijver is. Fijn gezelschap,
Als we afscheid hebben genomen, realiseer ik me dat ik niets heb om onze ontmoeting mee te staven. Geen selfie, geen foto, geen handtekening. Ik fotografeer het bordje op zijn brievenbus en dat slaat natuurlijk helemaal nergens op. ‘Als je moet kiezen tussen iets dat tastbaar is en wat niet tastbaar is, kies dan hetgeen dat niet tastbaar is,’  zegt een hoofdpersoon in een van zijn korte verhalen in ‘Blinde wilg, slapende vrouw’. Ik koester het niet tastbare.

Een taal leren die vaak hetzelfde klinkt

Het is vijfentwintig jaar geleden dat Tjalling – toen twee jaar oud – van Japan naar Nederland terug verhuisde.Tot dat moment groeide hij perfect tweetalig op: Nederlands thuis met papa en mama, Japans op de creche met zijn drie juffen en alle klasgenootjes. Zijn Japans stokte uiteraard onmiddellijk bij terugkeer.
Maar nu we hem vijfentwintig jaar later meenemen naar zijn geboorteland pakt hij de draad weer op. Niet dat hij zich nog iets herinnert, maar zijn uitspraak van alle nieuwe Japanse woorden is alvast perfect. We beginnen waar het vijfentwintig jaar geleden stopte: wijzen naar de ogen: ‘me’. de neus: Hana. Wijzen naar de mond: kuchi. En de oren: mimi. trein: densha. dankjewel: domo. Alsjeblieft: dozo. Waar? Doko?

Dag drie dwalen we door de tuin van het Gotoh-museum. De tuinman excuseert zich dat er in deze tijd van het jaar niet veel te zien is: geen kersenbloesem, geen verkleurende herfstbladeren. Wij vinden de tuin nog steeds prachtig, Er zijn tuinmannen aan het werk die met nagelschaartjes de pijnboomtakken onderhanden nemen. Er zijn bomen ingepakt met stro tegen de winterkou die er nu surrealistisch uitzien. De gestreepte bamboe komt prachtig tot zijn recht.
Er bloeit trouwens wel iets: twee goudvis-cammellia’s, met wonderbaarlijk gevormde blaadjes die wel wat weg hebben van een goudvisstaart. Een rode en een witte. En er bloeit een mitsumata: nog nooit gezien, nog nooit van gehoord. Van de bast wordt washi gemaakt: Japans papier. Het is een naaktbloeier De knoppen zijn fascinerend mooi. De tuinman legt het allemaal uit. Het hele gesprek speelt zich af tussen de tuinman en mij. In het Japans.

Na afloop vraagt Tjalling of het geurige bloemen zijn. Huh? Hoezo? ‘Nou, hij zei toch iets over “hana”?’. Ik was straalverbaasd dat hij überhaupt een woord had opgepikt uit onze conversatie.    Maar hij heeft pech: het Japans heeft maar weinig onderscheidende klanken, en als gevolg daarvan enorm veel homonieme: woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen. Hana betekent behalve ‘neus’ ook ‘bloem’.

Hij herinnerde me aan mijn eigen eerste schreden op het pad van de Japanse taal. Je probeert de hele tijd pap te koken van wat je hoort en het te verbinden aan iets wat je weet.
Eigenlijk doen we dat natuurlijk altijd als we een taal horen of lezen. Ook als we ons vergissen of iets verkeerd begrijpen of verstaan, duwen we en trekken we wat om er pap van te koken. Gek genoeg lukt dat verrassend vaak. Wie weet, is wat we voor conversatie houden eigenlijk altijd een welwillende opeenstapeling van grotere of kleinere misverstanden….

wakker worden met gezicht op de berg Fuji

Soms (vaak) zegt en beeld meer dan duizend worden.
De eerste dag dat we in Tokio rondliepen (gisteren) was compleet onwerkelijk. Soba eten hielp, boodschappen doen hielp, ritje met de ondergrondse hielp om tot ons door te laten dringen dat we (na 25 jaar) weer in Tokio waren. Maar wakker worden met uitzicht op de berg Fuji helpt geweldig om het besef in te laten zakken dat we echt in Japan zijn.

Meneer Smalput in Nieuwloofwijk

Voor onderweg in het vliegtuig had ik Het verdronken land van Detlev van Heest meegenomen.     Zijn vorige boek De verzopen katten en de Hollander vond ik geweldig en hier pakt hij de draad weer op als hij terugkeert naar zijn oude wijkje waar hij ooit woonde, bij zijn oude buren en vrienden.
Behalve dat hij zijn oog richt op het kleine en licht tot zeer bevreemdende, doet hij twee dingen met taal die geweldig goed uitpakken: de plaatsen die hij bezoekt en de buren die hij treft hebben vertaalde namen. Hij reist langs Geluksberg, herinnert zich meneer Smalput, mevrouw Van Tricht.  Alles wat geschreven is met een karakter heeft nu eenmaal een betekenis en laat zich (dus) vertalen. Het effect is dat het zijn boek ‘ontJapanst’. Zijn hoofdpersonen  zijn niet noodzakelijk meer Japans. Het zijn ‘gewoon’ mensen geworden, met onhebbelijkheden, zorgen om hun kinderen, ziektes, geknakte ambities, ontroerende kadootjes.
Soms doet hij het tegenovergestelde: de hond Dzjiro en zijn vriend Dzjoen hebben juist alleen een klank, en zo uitgeschreven dat het Japanse er ook enigszins uit weg valt. Het werkt geweldig.
Japan  komt er trouwens heus wel onmiskenbaar in naar voren in de vorm van een tsunami en een kernramp….

Vertalersgelukje: (of ‘gewonnen in vertaling’)

Als vertaler kun je nooit recht doen aan alles connotaties/associaties/suggesties die in het origineel zitten. De uitdaging is om een zo hoog mogelijk percentage te scoren in het uitdrukken van wat de schrijver bedoelt.
Dus over het algemeen opereer je bijna altijd in de min. Het is al mooi als je ergens tussen de negentig en de honderd procent komt. Er raakt altijd iets ‘lost in translation’. Hoger dan honderd is onmogelijk. Op het moment dat ik denk dat mijn vertaling beter/mooier/rijker is dan het origineel, moet ik me eigenlijk achter mijn oren gaan krabben. Als de vertaling meer dan 100 procent overlapt, overlapt hij namelijk niet meer. (Het is bij vlagen trouwens best lastig om de vertaling niet ‘beter’ te maken dan het origineel. Om niet de pen van de redacteur te pakken.)
Maar een enkele keer komt het voor dat je een kadootje krijgt. Vaak eindigen zulke kadootjes weer op de snijtafel. Dan gaat er in het Nederlands iets meetrillen dat niet in het origineel zit.
In De moord op Commendatore is één zo’n kadootje ongeschonden door alle correctierondes heengekomen. En het is zo perfect onopvallend, dat ik hier mijn vertalersgelukje ga uitspellen:

‘Ik kon me er niets bij voorstellen dat we na de ontbinding van ons huwelijk een relatie als vrienden zouden hebben. Gedurende de zes jaar dat we getrouwd waren hebben we zoveel met elkaar gedeeld. Zoveel tijd, zoveel emoties, zoveel woorden en zoveel stiltes, zoveel twijfels en zoveel oordelen, zoveel afspraken en zoveel berusting, zoveel genot en zoveel verveling.’

Ja, dat vond ik nu serieus leuk dat het laatste woord ‘verveling’ was, na de elfde ‘zoveel’. Wat een geluk dat dat nu net het allerlaatste woord was. Ik hoefde er niets voor te doen. Het is ondenkbaar dat Murakami het zo heeft uitgemikt dat zijn opsomming in de Nederlandse vertaling deze uitsmijter krijgt. Ik heb er niets aan hoeven doen, het stond er zo, in deze volgorde, in het Japans. En de verveling was de kers op de taart.

 

In sake-droesem ingelegde geelvinmakreel

 

Met de ‘buri’ (Seriola quinqueradiata oftewel de goudvinmakreel) liep het juist weer heel anders af dan met de Japanse brilvogel. De hoofdpersoon zit in sakedroesem ingelegde geelvinmakreel te eten als Marie hem onverwacht komt opzoeken. Is het nu de taak van de vertaler om met een gerecht op de proppen te komen dat de Nederlandse lezer vertrouwder is? Nee, juist niet! Murakami is superspecifiek. En dat kun je als vertaler gewoon volgen.
Zelf vis in sakedroesem inleggen is overigens in Japan geen schering en inslag. Dus ja, de hoofdpersoon is best excentriek met zijn visgerecht.Niet omdat hij een Japanner is, maar omdat hij een een excentrieke Japanner is.

Kill your darlings: het gesneuvelde roodborstje…

Letterlijk vertaald betekent ‘mejiro’ iets als ‘witoogje’. Het is de naam voor een vogeltje met een wit randje om de ogen. Hij heeft iets heel vertederends, niet in de laatste plaats doordat hij graag in bloeiende kersenbomen vertoeft. De officiële Nederlandse naam is: Japanse brilvogel.
Maar wat te doen als de hoofdpersoon in een Japanse roman door het bos wandelt en een ‘mejiro’-achtig vogeltje ziet vliegen? Een ding staat vast: de vertaling wordt niet ‘een Japanse brilvogel-achtig vogeltje’. Het doel is immers niet om recht te doen aan de wetenschappelijk correcte aanduiding. We moeten op zoek naar een vogeltje dat net zo huis-tuin-keuken-achtig is als een mejiro voor Japanners, en die er bij voorkeur ook op lijkt.
Ik was heel erg in mijn nopjes toen ik op het roodborstje uitkwam. Want ook dit vogeltje dankt zijn naam aan een combinatie van kleur en lichaamsdeel, en op de koop toe klopt het formaat ongeveer. Maar ik was vooral ingenomen met het roodborstje omdat die een gelijksoortige vertedering opwekt als de mejiro. En iedereen kent hem. Even checken: ja hoor, er zijn roodborstjes in Japan!
Maar de volgende hobbel diende zich aan: in de vertaling werd dat dus: ‘een roodborstje-achtig vogeltje’. Dat ‘je’ van het verkleinwoord voegde niet lekker met ‘-achtig’. ‘Roodborst-achtig’ dan? Nu was het vertederende goeddeels verdwenen…
En dan komt er een moment dat je je als vertaler realiseert dat als je te veel moet duwen om het goed te krijgen, je misschien moet stoppen met duwen en beter een heel andere pad kunt inslaan. Dus gezocht in de Japanse brilvogel-familie op zoek naar nieuwe kanshebbers. Het is uiteindelijk ‘een mus-achtig vogeltje’ geworden. Hij voldoet aan de basis-vereisten: goede maat, courant, algemeen bekend, het is een soort vogel waarnaar je verwijst om aan te geven wat voor soort vogel je bedoelt waarvan je de naam niet weet. Dus de Nederlandse lezer krijgt vergelijkbare info met de Japanse. Case closed, zou je zeggen. Maar het gaat me toch een beetje aan het hart dat het roodborstje is gesneuveld…

Jazz; of het ritme van taal in een vertaling

 

foto Fotopersbureauhca / Patrick Harderwijk

Ja, het was een heel leuk idee van Matthijs van Nieuwkerk en Wilfried de Jong om een Japanner een stukje voor te laten lezen tijdens hun blokje ‘Murakami en jazz’ op het Murakami-weekend, dat afgelopen zaterdag en zondag op de SS Rotterdam werd gehouden om te vieren dat deel II van Murakami’s Moord op Commendatore uit is. Zo klinkt Japans dus! Spannend, strak, staccato. Extra leuk om eens te horen hoe Japans klinkt als je bedenkt dat Murakami vaak zegt dat hij muziek luistert als hij schrijft, en dat ritme in zijn tekst heel belangrijk is.
Voor de hand liggende vraag van de twee jazz-mannen: is er een vertaler in de zaal die kan uitleggen wat je daarmee doet in de vertaling? Die vertaler in de zaal, dat was ik. Lang verhaal kort: nee, daar kun je in een vertaling niets van meenemen. Kort verhaal lang: Het is al een hele puzzel om karakters te ontcijferen; om de woordvolgorde, die in het Japans compleet andersom is, goed in het Nederlands te krijgen en toch de aansluiting met de voorafgaande zin en de volgende zin te houden; om een goede balans te bewaren tussen interpreteren en ruimte laten. Dus veel ruimte om het ritme recht te doen is er niet. Dat bungelt onderaan de prioriteitenlijst. Nog korter veel gezegd: Nederlands klinkt nu eenmaal nooit als Japans.
Eigenlijk weet iedereen wel hoe Japans zo’n beetje klinkt: mitsubishi, Murakami, Nagasaki, sashimi. Korte lettergrepen, van steeds een medeklinker plus een klinker. Of soms alleen een klinker. Of een ‘n’-klank: Honda. Dat betekent dat er zo’n 65 onderscheidende klanken zijn (dertien medeklinkers x 5 klinkers: a, i, oe, e, o)  plus nog een stuk of wat combiklanken als ‘kyo’, en ‘myo’. Dat betekent bijvoorbeeld dat een op de vijf Japanse woorden op elkaar rijmt. Vandaar dat rijm geen dichterlijke betekenis heeft in het Japans. Voor een Japans gedicht zit de beperking in het het keurslijf van aantallen lettergrepen. De kortste is de haiku:  5-7-5:
(een goede haiku:
zeventien lettergrepen
plus ietwat natuur)
Dat is uit te breiden met twee regels van 7 lettergrepen, gevolgd door weer een blokje haiku (5-7-5), gevolgd door weer twee regels van 7 lettergrepen. Etcetera. Liefst in de vorm van een poetry-battle (of beurt-dicht). Gesproken dus. Liefst geïmproviseerd. Ja, dat komt in de buurt van jazz.
Ondertussen bleef het een beetje knagen, die vraag over ritme in taal. Afgezien van in dialogen hoor ik namelijk niet veel ritme als ik Japans lees. En opeens snapte ik die betrekkelijke stilte in mijn hoofd: je kunt Japans lezen zonder te weten hoe je het uitspreekt.
Karakters zijn ideogrammen. Die geven een betekenis weer. Daar zit geen klank in. je kunt ze wel uitspreken, maar de uitspraak moet je er apart bijleren. Die zit niet ingebakken in het karakter. Een ideogram is denk ik het makkelijkst te vergelijken met cijfers. 3 x 3 = 9: Dit kun je snappen zonder het uit te spreken. Vandaar dat wiskundigen voor een schoolbord voor elkaar hypotheses kunnen opschrijven, en wiskundige gedachten kunnen uitwisselen die ze dan van elkaar snappen (vermoed ik). Dat kan zonder woorden. Of vergelijk het met muziek. Musici kunnen met elkaar samenspelen, ook al spreken ze elkaars taal niet. Zolang ze de notenbalkentaal maar kennen.
Musici: dat is nou een woord dat dat lekkere ritme van het Japans heeft. Maar lees bovenstaand stukje nog eens door op zulke ‘nagasaki’-woorden en je snapt de hopeloosheid van de exercitie om Japans ritme recht te doen in het Nederlands.

.

 

Dante, Knausgard en de verraderlijkheid van taal

Zoals dat gaat: opeens struikel ik over talloze mooie observaties over taal.
Vandaag Dante, geciteerd door Knausgård in zijn boek ‘Winter’, in het hoofdstukje over ‘Gewoontes’.
[Dit citaat  is ongetwijfeld oorspronkelijk door Dante in het Italiaans opgeschreven, vermoedelijk door Knausgård in het Noors vertaald, en door de vertaler Marin Mars weer naar het Nederlands. Blijkbaar is de oertekst krachtig genoeg om overeind te blijven.]

‘Dante schreef dat niemand een ander wezen kan begrijpen door van zijn eigen gevoelens uit te gaan […], en dat God ons daarom de taal heeft gegeven. Met andere woorden om de verschillen zichtbaar te maken zodat ze voorspelbaar en functioneel worden en het sociale mogelijk maken. Maar worden de verschillen herhaald, dan worden het overeenkomsten, hun eigen tegengestelde dus. Dit maakt taal verraderlijk, ze dient twee heren en dat is de enige reden dat literatuur bestaat. Dat is ook de reden dat alleen mensen die niet kunnen schrijven, literatuur kunnen schrijven. Want wordt de gewoonte onderdeel van de literatuur, dan is het geen literatuur meer, maar de zoveelste steiger voor het leven.’

Ik heb net Murakami’s De moord op Commendatore vertaald. En ik heb net Moby Dick uitgelezen.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de vorm van beide boeken is ingegeven door een bepaalde innerlijke urgentie. (ik weet niet of die urgentie in het innerlijk van het boek zit, of in het innerlijk van de schrijver…) Murakami en Melville zijn allebei schrijvers die buiten de lijntjes kleuren. Sterker nog, ik wist bij Moby Dick niet eens precies waar het boek begon, omdat Melville uit de startblokken gaat met de etymologie van het woord walvis. Murakami tart op zijn manier klassieke schrijverswetten (zoals de spoiler over de afloop in hoofdstuk I, om de voor de hand liggendste te noemen.) Murakami scheept je met talloze losse eindjes op, en je moet zelf maar de stippellijntjes trekken van het ene naar het andere. Hoe beter je leest, hoe beter het boek wordt,
Als de redacteur belt met de vraag hoe ze iets op moeten maken, dan weet je zeker dat de tekst  buiten de gebaande paden is beland. Dat was het geval met het laatste hoofdstuk van deel I. Vlak na een torenhoge cliffhanger komt een citaat uit een boek over Treblinka over een portretschilder. Het is net zo’n soort Fremdkörper als de woordenlijst aan het begin van Moby Dick.

Taal en tolerantie, of: hoe verruim ik mijn geest?

In mijn agenda zit al een tijdje een artikel uit De Groene Amsterdammer dat ‘Meertaligheid is tolerantie’ heet. Daarin wijst  Mathieu Segers op een essay van John Le Carré  voor The Guardian. Daarin noemt Le Carré de beslissing om een buitenlandse taal te leren (Carré leerde Duits) ‘an act of friendship’. Volgens Le Carré is het beheersen van een tweede taal als het hebben van een tweede ziel. Het ambacht van vertalen staat gelijk aan het verzoenen van die twee zielen. Het verzoenen van de twee zielen is nooit volmaakt, nooit af. Het vergt aanhoudende intellectuele flexibiliteit, vasthoudendheid, aanpassing en zelfanalyse. Le Carré houdt een pleidooi voor het leren van vreemde talen. Het koesteren van meertaligheid is een directe investering in cohesie en vertrouwen.
Nou, dat zette me aan het denken! Om te beginnen is het voor mij als Nederlander bijna niet voor te stellen dat er mensen zijn die maar één taal kennen, maar daar zijn er natuurlijk heel veel van. Ik kan me voorstellen dat dat in zijn soort een claustrofobische ervaring is. Waar de desbetreffende persoon zich misschien wel helemaal niet zo bewust van is (je weet immers niet beter). Ik kan me ook voorstellen dat het een beperkt blikveld in de hand werkt. Je kunt niet op eigen kracht kennis nemen van wat in een andere taal wordt gezegd, geschreven of gedacht.
Het leren van een nieuwe taal leren rekt je denkwijze en zienswijze op verschillende manieren op, is mijn ervaring. Om te beginnen merk je dat taal zelf heel anders in elkaar kan zitten dan je van je eigen taal kent. Hoe vreemder de taal, hoe groter dat contrast wordt. En hoe duidelijker het wordt dat je eigen taal maar een talloze manieren is om iets uit te drukken. Met zijn rijkdom, en met zijn beperkingen.
Die variaties zijn deels ingegeven door landschap, klimaat of eetgewoontes, maar ook door een andere kijk op de wereld. De Grieken zeggen (als ik het goed heb onthouden) iets als ‘angst heeft mij’ in plaats van ‘ik heb angst’. Voelt een bange Griek nu hetzelfde als een bange Nederlander en verwoordt hij het anders? Of voelen we ook iets anders? Ik vind dat interessante vragen.  Die je pas kunt stellen als je kennis neemt van verschillen.
Als je een andere taal leert, ervaar je niet alleen dat een taal heel anders in elkaar kan zitten, maar dat ook een mens en/of een maatschappij heel anders in elkaar kan zitten. Dat is bij een taal als Japans (natuurlijk) in extreme mate het geval.
Ik betrap me er tijdens het vertalen op dat ik heen en weer zwalk tussen twee uitersten:
Mijn ene overtuiging: we zijn allemaal mensen, niets menselijks is ons vreemd, dus het moet mogelijk zijn om over te brengen wat er door iemand anders heen gaat.
Aan het andere eind van het spectrum: Zelfs al spreek je dezelfde taal, dan ben je er nog niet zeker van dat je iets van een ander begrijpt. Kan de ene mens überhaupt begrijpen wat er in een ander mens omgaat?
Nou, dat is best een breed terrein waarop ik me als vertaler begeef.
IK geloof niet eens dat de mate waarin ik slaag iets over te brengen de maatstaf is voor de zin van de exercitie. De zin van de exercitie is haar aan te gaan. Ja, er gaat iets verloren in de vertaling (‘lost in translation’, zoals het zo mooi klinkt in het Engels). Tegelijkertijd kan ik iets ontsluiten.
Ik kan het alleen maar roerend met John Le Carré eens zijn om te pleiten voor meertaligheid. Zowel voor de ander, als voor jezelf. Het vergroot je wereld en het verruimt je geest. En misschien ook wel je vermogen tot tolerantie…