Categoriearchief: waar ik over denk als ik Murakami vertaal

Op dit blog doe ik verslag van het avontuur dat het vertalen van een roman van Haruki Murakami is. Verheug je op bespiegelingen over vertalen, verbazing over het genie van Murakami, op het ontrafelen van de Japanse taal. En omdat het over De moord op Commendatore gaat, gaan we zeker ook schampen langs opera, de oude Grieken, portretkunst, hunkeren, jazz, liefde, omwegen, mascottes, een pratende mummie, knapperend houtvuur, liefde, Wenen in nazi-tijd, geheime agenda’s en een parallel universum.

on tour

Het was vorige week al zo’n feestje bij boekhandel De Vries in Haarlem, en gisteren bij Blokker in Heemstede zelfs volgeboekt!
Het is heel leuk om ‘on tour’ te zijn. Heerlijk om-  na een jaar tussen de woordenboeken op zolder – onder de mensen te zijn. En mijn fascinaties, ontdekkingen, vragen, worstelingen te kunnen delen met een supergeïnteresseerd publiek.
Jessica Nash, de hoofdredacteur van uit uitgeverij AtlasContact die mij op deze avonden interviewt, heeft een stapel kaartjes met vragen, maar we zijn nog steeds niet aan de laatste vragen toegekomen.
Bij Blokker was ook Ype de Boer, filosoof en auteur van het boek ‘Murakami en het gespleten leven’.  Dat leverde natuurlijk weer heel nieuwe invalshoeken op. Iedereen was Ype alleen al dankbaar voor zijn heldere uitleg over filosofie en literatuur (het verschil daartussen, en wat ze voor elkaar kunnen betekenen). En hij gaf heldere ‘leesinstructies’, om nóg meer uit de boeken van Murakami te halen. Over vrijheid, over verantwoordelijkheid. Over transformatie.

de verbeeldingskracht aan het werk

Het is me al van verschillende kanten gevraagd: of ik weet of Murakami zelf ook schildert. De aanleiding voor de vraag is dat zijn beschrijving van het schilderproces zo overtuigend en accuraat is.
Die vraag nam ik mee toen ik Haruki Murakami bezocht in Tokio.
Nee, hij schildert niet zelf, legde hij uit. Hij heeft wel een ‘handboek schilderen’ geraadpleegd voor technische aspecten. De rest is ontsproten aan zijn voorstellingsvermogen.
Nog geen drie dagen later zat ik oude veranda van de steentuin van Ryoanji, een tempelcomplex in Kyoto. Het is de beroemdste steentuin ter wereld. Maar als je je omdraait, staan daar op de schuifdeuren schitterende inkttekeningen van twee draken : een stijgende draak en een dalende draak.
De schilder kan niet hebben geweten hoe een draak eruit zag. Maar alle elementen die refereren aan factoren die wij mensenkinderen kennen, kon hij natuurlijk wel inpassen. En dat heeft hij gedaan. De zwaartekracht, de klauwen, de rook, de lenigheid van de draak: met een fabeldier is in principe alles mogelijk. En toch en toch ontleent de tekening zijn overtuigingskracht aan de ‘realistische’ weergave van een niet bestaand wezen.
Dat deed me natuurlijk denken aan wat Murakami uithaalt in zijn romans. En aan de kracht van     het voorstellingsvermogen.
(Ook fijn: de draak oogt best vriendelijk. Eerder nieuwsgierig dan angstaanjagend. Maar dat zegt misschien weer meer over het wezen van de kunstenaar dan over de draak…)

Een droom van een dag: ‘zeg maar Haruki’

Om een of andere reden was het alleen maar logisch dat we ’s ochtends langs een restaurantje liepen dat ‘Don Giovanni’ heette. Of dat in de Seven Eleven waar we geld opnamen ‘Obladi-oblada’ draaide. Of dat we een ‘man zonder gezicht’ zagen zitten: iemand met een hoed op die licht voorovergebogen zat een een wit mondmasker ophad.
Ondertussen had ik lichte buikpijn vanwege mijn afspraak met Haruki Murakami. The one and only. De man in wiens hoofd ik bijna een jaar heb vertoefd. De man die, volgens de verhalen,  doorgaans niemand wil zien. Behalve zijn vertalers!
De serene tuin van het Nezu-museum was een goede omgeving om de zenuwen wat te doen bedaren. En me in Murakami te verplaatsen: hoe leuk is het als iedereen nerveus wordt van een het vooruitzicht van een ontmoeting met jou?  We zijn gewoon ‘vertalers onder elkaar’, hield ik mezelf voor. Collega’s eigenlijk.
Het kantoor van HM waar ik word ontvangen door zijn assistente ademt ‘doe maar gewoon’. De schoenen gaan uit, de slippers gaan aan. Tafel met drie stoelen, boekenkasten rondom. Ik hannes nog met mijn tas en mijn kadootjes en struikel voor mijn gevoel de ontmoeting met Murakami in. Maar alles gaat goed. Alles is goed, Murakami doet niet aan koetjes en kalfjes. Geen babbeltje over de 30 centimeter sneeuw die aan het begin van de week viel in Tokio.
Het helpt dat ik een exemplaar van deel II van De moord op Commendatore bij me heb. En ik zeg er maar meteen bij dat deel II in de eerste week dat het uitkwam meteen op 6 stond van de boekentoptien. En dat er 1600 mensen afkwamen op het Murakami-festival op de SS Rotterdam ter gelegenheid van het uitkomen van deel II van De Moord op Commendatore. Hoe komt het, vraagt hij dat we in Nederland het boek zo snel vertaald hebben? Er is al een Koreaanse en een Chinese vertaling uit, maar de Nederlandse vertaling is de eerste Moord op Commendatore in een Westerse (karakterloze)  taal. Het komt doordat we het met zijn tweeën hebben gedaan, Luk en ik, antwoord ik.
We hebben het meteen over muziek. Een CD meenemen als kadootjes was een goed idee.
We hebben het over lezers. Over Disney. Over vertalen. Hij laat zijn vertalers de ruimte. Hij vermaakt zich over de vele manieren waarop zijn werk wordt geïnterpreteerd. We hebben het over drank. De whisky-liefhebber blijkt het liefst Bloody Mary te drinken.
Het voelt vreemd om de ontmoeting ‘vertrouwd’ te noemen. En toch voelde het zo. Ik denk dat ik hem ken. Ik denk dat hij mij kent. Dat denken heel veel lezers. Dat heb ik onder andere opgestoken van het weekend op de SS Rotterdam. Ik denk dat dat betekent dat Murakami vooral een heel menselijke schrijver is. Fijn gezelschap,
Als we afscheid hebben genomen, realiseer ik me dat ik niets heb om onze ontmoeting mee te staven. Geen selfie, geen foto, geen handtekening. Ik fotografeer het bordje op zijn brievenbus en dat slaat natuurlijk helemaal nergens op. ‘Als je moet kiezen tussen iets dat tastbaar is en wat niet tastbaar is, kies dan hetgeen dat niet tastbaar is,’  zegt een hoofdpersoon in een van zijn korte verhalen in ‘Blinde wilg, slapende vrouw’. Ik koester het niet tastbare.

Een taal leren die vaak hetzelfde klinkt

Het is vijfentwintig jaar geleden dat Tjalling – toen twee jaar oud – van Japan naar Nederland terug verhuisde.Tot dat moment groeide hij perfect tweetalig op: Nederlands thuis met papa en mama, Japans op de creche met zijn drie juffen en alle klasgenootjes. Zijn Japans stokte uiteraard onmiddellijk bij terugkeer.
Maar nu we hem vijfentwintig jaar later meenemen naar zijn geboorteland pakt hij de draad weer op. Niet dat hij zich nog iets herinnert, maar zijn uitspraak van alle nieuwe Japanse woorden is alvast perfect. We beginnen waar het vijfentwintig jaar geleden stopte: wijzen naar de ogen: ‘me’. de neus: Hana. Wijzen naar de mond: kuchi. En de oren: mimi. trein: densha. dankjewel: domo. Alsjeblieft: dozo. Waar? Doko?

Dag drie dwalen we door de tuin van het Gotoh-museum. De tuinman excuseert zich dat er in deze tijd van het jaar niet veel te zien is: geen kersenbloesem, geen verkleurende herfstbladeren. Wij vinden de tuin nog steeds prachtig, Er zijn tuinmannen aan het werk die met nagelschaartjes de pijnboomtakken onderhanden nemen. Er zijn bomen ingepakt met stro tegen de winterkou die er nu surrealistisch uitzien. De gestreepte bamboe komt prachtig tot zijn recht.
Er bloeit trouwens wel iets: twee goudvis-cammellia’s, met wonderbaarlijk gevormde blaadjes die wel wat weg hebben van een goudvisstaart. Een rode en een witte. En er bloeit een mitsumata: nog nooit gezien, nog nooit van gehoord. Van de bast wordt washi gemaakt: Japans papier. Het is een naaktbloeier De knoppen zijn fascinerend mooi. De tuinman legt het allemaal uit. Het hele gesprek speelt zich af tussen de tuinman en mij. In het Japans.

Na afloop vraagt Tjalling of het geurige bloemen zijn. Huh? Hoezo? ‘Nou, hij zei toch iets over “hana”?’. Ik was straalverbaasd dat hij überhaupt een woord had opgepikt uit onze conversatie.    Maar hij heeft pech: het Japans heeft maar weinig onderscheidende klanken, en als gevolg daarvan enorm veel homonieme: woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen. Hana betekent behalve ‘neus’ ook ‘bloem’.

Hij herinnerde me aan mijn eigen eerste schreden op het pad van de Japanse taal. Je probeert de hele tijd pap te koken van wat je hoort en het te verbinden aan iets wat je weet.
Eigenlijk doen we dat natuurlijk altijd als we een taal horen of lezen. Ook als we ons vergissen of iets verkeerd begrijpen of verstaan, duwen we en trekken we wat om er pap van te koken. Gek genoeg lukt dat verrassend vaak. Wie weet, is wat we voor conversatie houden eigenlijk altijd een welwillende opeenstapeling van grotere of kleinere misverstanden….

wakker worden met gezicht op de berg Fuji

Soms (vaak) zegt en beeld meer dan duizend worden.
De eerste dag dat we in Tokio rondliepen (gisteren) was compleet onwerkelijk. Soba eten hielp, boodschappen doen hielp, ritje met de ondergrondse hielp om tot ons door te laten dringen dat we (na 25 jaar) weer in Tokio waren. Maar wakker worden met uitzicht op de berg Fuji helpt geweldig om het besef in te laten zakken dat we echt in Japan zijn.

Meneer Smalput in Nieuwloofwijk

Voor onderweg in het vliegtuig had ik Het verdronken land van Detlev van Heest meegenomen.     Zijn vorige boek De verzopen katten en de Hollander vond ik geweldig en hier pakt hij de draad weer op als hij terugkeert naar zijn oude wijkje waar hij ooit woonde, bij zijn oude buren en vrienden.
Behalve dat hij zijn oog richt op het kleine en licht tot zeer bevreemdende, doet hij twee dingen met taal die geweldig goed uitpakken: de plaatsen die hij bezoekt en de buren die hij treft hebben vertaalde namen. Hij reist langs Geluksberg, herinnert zich meneer Smalput, mevrouw Van Tricht.  Alles wat geschreven is met een karakter heeft nu eenmaal een betekenis en laat zich (dus) vertalen. Het effect is dat het zijn boek ‘ontJapanst’. Zijn hoofdpersonen  zijn niet noodzakelijk meer Japans. Het zijn ‘gewoon’ mensen geworden, met onhebbelijkheden, zorgen om hun kinderen, ziektes, geknakte ambities, ontroerende kadootjes.
Soms doet hij het tegenovergestelde: de hond Dzjiro en zijn vriend Dzjoen hebben juist alleen een klank, en zo uitgeschreven dat het Japanse er ook enigszins uit weg valt. Het werkt geweldig.
Japan  komt er trouwens heus wel onmiskenbaar in naar voren in de vorm van een tsunami en een kernramp….

Vertalersgelukje: (of ‘gewonnen in vertaling’)

Als vertaler kun je nooit recht doen aan alles connotaties/associaties/suggesties die in het origineel zitten. De uitdaging is om een zo hoog mogelijk percentage te scoren in het uitdrukken van wat de schrijver bedoelt.
Dus over het algemeen opereer je bijna altijd in de min. Het is al mooi als je ergens tussen de negentig en de honderd procent komt. Er raakt altijd iets ‘lost in translation’. Hoger dan honderd is onmogelijk. Op het moment dat ik denk dat mijn vertaling beter/mooier/rijker is dan het origineel, moet ik me eigenlijk achter mijn oren gaan krabben. Als de vertaling meer dan 100 procent overlapt, overlapt hij namelijk niet meer. (Het is bij vlagen trouwens best lastig om de vertaling niet ‘beter’ te maken dan het origineel. Om niet de pen van de redacteur te pakken.)
Maar een enkele keer komt het voor dat je een kadootje krijgt. Vaak eindigen zulke kadootjes weer op de snijtafel. Dan gaat er in het Nederlands iets meetrillen dat niet in het origineel zit.
In De moord op Commendatore is één zo’n kadootje ongeschonden door alle correctierondes heengekomen. En het is zo perfect onopvallend, dat ik hier mijn vertalersgelukje ga uitspellen:

‘Ik kon me er niets bij voorstellen dat we na de ontbinding van ons huwelijk een relatie als vrienden zouden hebben. Gedurende de zes jaar dat we getrouwd waren hebben we zoveel met elkaar gedeeld. Zoveel tijd, zoveel emoties, zoveel woorden en zoveel stiltes, zoveel twijfels en zoveel oordelen, zoveel afspraken en zoveel berusting, zoveel genot en zoveel verveling.’

Ja, dat vond ik nu serieus leuk dat het laatste woord ‘verveling’ was, na de elfde ‘zoveel’. Wat een geluk dat dat nu net het allerlaatste woord was. Ik hoefde er niets voor te doen. Het is ondenkbaar dat Murakami het zo heeft uitgemikt dat zijn opsomming in de Nederlandse vertaling deze uitsmijter krijgt. Ik heb er niets aan hoeven doen, het stond er zo, in deze volgorde, in het Japans. En de verveling was de kers op de taart.

 

In sake-droesem ingelegde geelvinmakreel

 

Met de ‘buri’ (Seriola quinqueradiata oftewel de goudvinmakreel) liep het juist weer heel anders af dan met de Japanse brilvogel. De hoofdpersoon zit in sakedroesem ingelegde geelvinmakreel te eten als Marie hem onverwacht komt opzoeken. Is het nu de taak van de vertaler om met een gerecht op de proppen te komen dat de Nederlandse lezer vertrouwder is? Nee, juist niet! Murakami is superspecifiek. En dat kun je als vertaler gewoon volgen.
Zelf vis in sakedroesem inleggen is overigens in Japan geen schering en inslag. Dus ja, de hoofdpersoon is best excentriek met zijn visgerecht.Niet omdat hij een Japanner is, maar omdat hij een een excentrieke Japanner is.

Kill your darlings: het gesneuvelde roodborstje…

Letterlijk vertaald betekent ‘mejiro’ iets als ‘witoogje’. Het is de naam voor een vogeltje met een wit randje om de ogen. Hij heeft iets heel vertederends, niet in de laatste plaats doordat hij graag in bloeiende kersenbomen vertoeft. De officiële Nederlandse naam is: Japanse brilvogel.
Maar wat te doen als de hoofdpersoon in een Japanse roman door het bos wandelt en een ‘mejiro’-achtig vogeltje ziet vliegen? Een ding staat vast: de vertaling wordt niet ‘een Japanse brilvogel-achtig vogeltje’. Het doel is immers niet om recht te doen aan de wetenschappelijk correcte aanduiding. We moeten op zoek naar een vogeltje dat net zo huis-tuin-keuken-achtig is als een mejiro voor Japanners, en die er bij voorkeur ook op lijkt.
Ik was heel erg in mijn nopjes toen ik op het roodborstje uitkwam. Want ook dit vogeltje dankt zijn naam aan een combinatie van kleur en lichaamsdeel, en op de koop toe klopt het formaat ongeveer. Maar ik was vooral ingenomen met het roodborstje omdat die een gelijksoortige vertedering opwekt als de mejiro. En iedereen kent hem. Even checken: ja hoor, er zijn roodborstjes in Japan!
Maar de volgende hobbel diende zich aan: in de vertaling werd dat dus: ‘een roodborstje-achtig vogeltje’. Dat ‘je’ van het verkleinwoord voegde niet lekker met ‘-achtig’. ‘Roodborst-achtig’ dan? Nu was het vertederende goeddeels verdwenen…
En dan komt er een moment dat je je als vertaler realiseert dat als je te veel moet duwen om het goed te krijgen, je misschien moet stoppen met duwen en beter een heel andere pad kunt inslaan. Dus gezocht in de Japanse brilvogel-familie op zoek naar nieuwe kanshebbers. Het is uiteindelijk ‘een mus-achtig vogeltje’ geworden. Hij voldoet aan de basis-vereisten: goede maat, courant, algemeen bekend, het is een soort vogel waarnaar je verwijst om aan te geven wat voor soort vogel je bedoelt waarvan je de naam niet weet. Dus de Nederlandse lezer krijgt vergelijkbare info met de Japanse. Case closed, zou je zeggen. Maar het gaat me toch een beetje aan het hart dat het roodborstje is gesneuveld…

Jazz; of het ritme van taal in een vertaling

 

foto Fotopersbureauhca / Patrick Harderwijk

Ja, het was een heel leuk idee van Matthijs van Nieuwkerk en Wilfried de Jong om een Japanner een stukje voor te laten lezen tijdens hun blokje ‘Murakami en jazz’ op het Murakami-weekend, dat afgelopen zaterdag en zondag op de SS Rotterdam werd gehouden om te vieren dat deel II van Murakami’s Moord op Commendatore uit is. Zo klinkt Japans dus! Spannend, strak, staccato. Extra leuk om eens te horen hoe Japans klinkt als je bedenkt dat Murakami vaak zegt dat hij muziek luistert als hij schrijft, en dat ritme in zijn tekst heel belangrijk is.
Voor de hand liggende vraag van de twee jazz-mannen: is er een vertaler in de zaal die kan uitleggen wat je daarmee doet in de vertaling? Die vertaler in de zaal, dat was ik. Lang verhaal kort: nee, daar kun je in een vertaling niets van meenemen. Kort verhaal lang: Het is al een hele puzzel om karakters te ontcijferen; om de woordvolgorde, die in het Japans compleet andersom is, goed in het Nederlands te krijgen en toch de aansluiting met de voorafgaande zin en de volgende zin te houden; om een goede balans te bewaren tussen interpreteren en ruimte laten. Dus veel ruimte om het ritme recht te doen is er niet. Dat bungelt onderaan de prioriteitenlijst. Nog korter veel gezegd: Nederlands klinkt nu eenmaal nooit als Japans.
Eigenlijk weet iedereen wel hoe Japans zo’n beetje klinkt: mitsubishi, Murakami, Nagasaki, sashimi. Korte lettergrepen, van steeds een medeklinker plus een klinker. Of soms alleen een klinker. Of een ‘n’-klank: Honda. Dat betekent dat er zo’n 65 onderscheidende klanken zijn (dertien medeklinkers x 5 klinkers: a, i, oe, e, o)  plus nog een stuk of wat combiklanken als ‘kyo’, en ‘myo’. Dat betekent bijvoorbeeld dat een op de vijf Japanse woorden op elkaar rijmt. Vandaar dat rijm geen dichterlijke betekenis heeft in het Japans. Voor een Japans gedicht zit de beperking in het het keurslijf van aantallen lettergrepen. De kortste is de haiku:  5-7-5:
(een goede haiku:
zeventien lettergrepen
plus ietwat natuur)
Dat is uit te breiden met twee regels van 7 lettergrepen, gevolgd door weer een blokje haiku (5-7-5), gevolgd door weer twee regels van 7 lettergrepen. Etcetera. Liefst in de vorm van een poetry-battle (of beurt-dicht). Gesproken dus. Liefst geïmproviseerd. Ja, dat komt in de buurt van jazz.
Ondertussen bleef het een beetje knagen, die vraag over ritme in taal. Afgezien van in dialogen hoor ik namelijk niet veel ritme als ik Japans lees. En opeens snapte ik die betrekkelijke stilte in mijn hoofd: je kunt Japans lezen zonder te weten hoe je het uitspreekt.
Karakters zijn ideogrammen. Die geven een betekenis weer. Daar zit geen klank in. je kunt ze wel uitspreken, maar de uitspraak moet je er apart bijleren. Die zit niet ingebakken in het karakter. Een ideogram is denk ik het makkelijkst te vergelijken met cijfers. 3 x 3 = 9: Dit kun je snappen zonder het uit te spreken. Vandaar dat wiskundigen voor een schoolbord voor elkaar hypotheses kunnen opschrijven, en wiskundige gedachten kunnen uitwisselen die ze dan van elkaar snappen (vermoed ik). Dat kan zonder woorden. Of vergelijk het met muziek. Musici kunnen met elkaar samenspelen, ook al spreken ze elkaars taal niet. Zolang ze de notenbalkentaal maar kennen.
Musici: dat is nou een woord dat dat lekkere ritme van het Japans heeft. Maar lees bovenstaand stukje nog eens door op zulke ‘nagasaki’-woorden en je snapt de hopeloosheid van de exercitie om Japans ritme recht te doen in het Nederlands.

.